Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
04/ 979 WAO + 04/2846 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Nader besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/ 979 WAO

04/2846 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 januari 2004, 03/1626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2006, waar namens appellante is verschenen mr. De Jong, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, die laatstelijk werkzaam was als telefoniste-receptioniste, heeft zich op 13 maart 2000 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens rug-, nek-, schouder- en depressieve klachten. In het kader van de einde wachttijdbeoordeling is appellante onderzocht door de verzekeringsarts F.M.G. van Dierendonck, die tot de conclusie is gekomen, dat appellante als gevolg van een combinatie van spanningsklachten en hiermee samenhangende spierklachten van rug, nek en schouders beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld. Vervolgens zijn door de arbeidsdeskundige J.J.C. Kok overeenkomstig dit belastbaarheidspatroon functies geselecteerd en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 26,46%. Bij besluit van 9 april 2001 is appellante met ingang van 12 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 25 tot 35%.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar medische toestand verslechterd is en dat zij meer beperkt is dan is aangenomen in het belastbaarheidspatroon. Ter ondersteuning is medische informatie van haar fysiotherapeut overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans heeft daarentegen na geneeskundig onderzoek van appellante en na kennisneming van de informatie van haar huisarts, behandelend orthopedisch chirurg V.J. Rudolphy en psycho-medisch centrum Parnassia geconcludeerd dat appellante op de datum in geding in staat is om werkzaamheden te verrichten die binnen het belastbaarheidspatroon passen. In een aanvullend bezwaarschrift zijn de eerdere grieven herhaald en is namens appellante aangevoerd dat de functiebelasting bij de geselecteerde functies niet in overeenstemming is met de feitelijke belastbaarheid van appellante. Bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet heeft, in vervolg op een eerdere rapportage waarin hij de onderzoeksresultaten van de primaire arbeidsdeskundige heeft bevestigd, deze bezwaren bestreden. Bij besluit van 6 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de medische component van het bestreden besluit 1 juist moet worden geacht. De rechtbank was echter van oordeel dat uit het overleg tussen de verzekeringsarts Van Dierendonck en arbeidsdeskundige Kok onvoldoende is gebleken waarom appellante de geselecteerde functies kan verrichten. Gelet op dit gebrek in de arbeidskundige component van het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht, het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellante zal nemen.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de medische conclusies waarop het bestreden besluit 1 is gebaseerd juist zijn.

Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering ervan een nieuw besluit op bezwaar genomen op 30 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit 2). Aan dit besluit, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond is verklaard, ligt ten grondslag de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw die de geschiktheid voor de geselecteerde functies nader heeft gemotiveerd. Appellante heeft zich met dit besluit evenwel niet kunnen verenigen en heeft ter ondersteuning van haar standpunt een rapportage van Arbeidsdeskundig advies Homerus (hierna: Homerus) overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Nu in het bestreden besluit 2, niet (geheel) wordt tegemoetgekomen aan de grieven van appellante, wordt het hoger beroep, op de voet van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen dit nadere besluit. De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit 2 geheel in de plaats is getreden van hetgeen in het bestreden besluit 1 is besloten, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het bestreden besluit 2 overweegt de Raad dat zowel de medische als de arbeidskundige component van dit besluit in geschil is.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen redenen om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante door beide verzekeringsartsen is onderzocht en dat door de bezwaarverzekeringsartsen afdoende is gemotiveerd dat de informatie uit de behandelende sector geen aanleiding heeft gegeven om het belastbaarheidspatroon aan te scherpen. De Raad stelt in dat verband vast dat de informatie van orthopedisch chirurg Rudolphy betrekking heeft op klachten die na de datum hier in geding zijn toegenomen en niet is komen vast te staan dat de verslechtering ten tijde in geding reeds was opgetreden. Naar het oordeel van de Raad berust de medische component dan ook op goede gronden.

Wat betreft de arbeidskundige component is de Raad van oordeel dat met de door de bezwaararbeidsdeskundige De Zeeuw gegeven toelichting op het bestreden besluit 2, in aanvulling op de rapportage van het overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, afdoende is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies als passend kunnen worden aangemerkt. Met haar rapportage van

24 mei 2004 is bezwaararbeidsdeskundige De Zeeuw ingegaan op de rapportage van Homerus. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige de bezwaren zoals aangegeven in voormelde rapportage voldoende weerlegd. Hiermee berust de arbeidskundige component eveneens op goede gronden.

Gelet op het vorenstaande, komt het bestreden besluit 2 niet voor vernietiging in aanmerking en dient het beroep tegen dit besluit ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.

RB0410