Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0468

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
04-4875 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Kan betrokkene met zijn beperkingen de geduide functies vervullen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4875 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2004, 03/1633 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk gedurende 40 uur per week in ploegendienst werkzaam als productiemedewerker bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Hij is op 16 september 1996 wegens voetklachten uitgevallen voor zijn werk. Met ingang van

15 september 1997 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant is beperkt geacht ten aanzien van onder meer de linkervoet en de rechterknie. Met ingang van 17 december 1997 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. Ingaande 18 september 2000 ontvangt appellant wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 20 december 2001 heeft het Uwv na een herbeoordeling de uitkering van appellant ingevolge de WAO met ingang van 12 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 14 maart 2003 heeft het Uwv het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit op bezwaar berust op het standpunt dat appellant op 12 februari 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, te weten € 20,55 met het voor appellant geldende maatmaninkomen van € 34,54 resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 40,50%.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant gelet op de bij hem bestaande beperkingen in staat is de geduide functies te vervullen.

Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het in beroep bestreden besluit, beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Daarbij heeft ook de Raad betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts heeft bezien of er aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan waarvan de verzekeringsarts is uitgegaan en appellant daartoe opnieuw heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend artsen van appellant. De Raad stelt vast dat de orthopedisch chirurg F. de Nies desgevraagd in zijn brieven van 22 november 2001, 14 augustus 2002 en 21 augustus 2002 op basis van eigen onderzoek op 1 oktober 2001 en 5 juli 2002, inlichtingen heeft verstrekt en in zijn brief van 22 november 2001 tevens heeft aangegeven dat appellant in staat moet worden geacht om fysiek lichte kniesparende arbeid te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft ook de arbeidskundige grondslag van het herzieningsbesluit opnieuw beoordeeld en bezien of de geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies gelet op de bij die functies behorende functiebelasting en de beperkingen van appellant passend zijn te achten, waarbij aandacht is besteed aan het pedaalgebruik in de geduide functie modinette met functiebestandscode 7952.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad toe dat de stelling van appellant dat hij gezien zijn knieklachten niet in staat is om de geduide functies te verrichten en in het bijzonder niet in staat is een voetpedaal te bedienen niet is ondersteund met medische verklaringen welke een ander licht werpen op de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.