Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
19-10-2006
Zaaknummer
06-190 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten, kosten deskundige, schriftelijke reactie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2006-10-17
Besluit proceskosten bestuursrecht, geldigheid: 2006-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/190 WAO (rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 november 2005, 03/441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Namens appellante is verschenen mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank een besluit op bezwaar van 17 maart 2003 van het Uwv vernietigd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van dat besluit.

In de aangevallen uitspraak, waarin appellante "eiseres" en het Uwv "verweerder" zijn genoemd, wordt met betrekking tot die proceskostenveroordeling het volgende overwogen:

" De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,00, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat geen punten zijn toegekend voor de door eiseres ingeschakelde deskundigen en de reactie op de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, nu de medische grondslag van het bestreden besluit in orde is gebleken.

De gemaakte kosten zijn in zoverre onnodig gemaakt (en kunnen dus niet de dubbele redelijkheidstoets doorstaan), althans staan niet in verband met de vernietiging van het bestreden besluit."

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak uitgesproken proceskostenveroordeling.

Appellante acht die vergoeding om twee redenen te laag.

Ten eerste heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend voor de rapportages van de medisch deskundigen die door appellante zijn ingeschakeld tijdens de procedure bij de rechtbank.

Ten tweede heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend voor schriftelijke reacties van appellantes advocaat tijdens de procedure bij de rechtbank.

Het Uwv conformeert zich aan het standpunt van de rechtbank met betrekking tot de proceskostenvergoeding in de aangevallen uitspraak.

De Raad oordeelt als volgt.

In zijn uitspraak van 13 april 2005, LJN: AT4323 heeft de Raad als zijn opvatting uitgesproken dat kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.

Ter beantwoording van de vraag of het inroepen van een niet-juridisch deskundige redelijk was heeft de Raad in die uitspraak vooropgesteld dat het begrip "deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht", als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het - op evengenoemd artikel 8:75 berustende - Besluit proceskosten bestuursrecht

(hierna: het Besluit) in dit Besluit niet nader is omschreven.

Een omschrijving van dit begrip is ook niet opgenomen in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, waarbij wat betreft de maatstaf voor vergoeding van de kosten van een zodanige deskundige in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit is aangesloten, te weten overeenkomstig het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

Mede gelet hierop en in het licht van meergenoemd artikel 8:75 heeft de Raad in genoemde uitspraak het in overeenstemming met een redelijke uitleg van het in het Besluit en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb vervatte systeem van vergoeding voor de kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, geoordeeld dat ter beantwoording van de evenomschreven vraag als maatstaf wordt gehanteerd of degene die een niet-juridische deskundige heeft ingeroepen, ten tijde van die inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijke relevante vraag.

Daartoe dient in ieder geval een verband te bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in een procedure op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) als de onderhavige aan de orde zijn.

In verband hiermee heeft mr. De Bie ter zitting van de Raad verklaard dat het haar destijds gewenst voorkwam de neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink en de psychiater W.H.J. Mutsaers in te schakelen omdat de door de rechtbank geraadpleegde deskundige prof. dr. R.J. van den Bosch het standpunt van een eerder door haar in de bezwaarfase geraadpleegde psychiater reeds had verworpen. Mr. De Bie wilde door het inschakelen van deze deskundigen voorkomen dat tussen Van den Bosch en die psychiater een welles-nietes-discussie zou gaan ontstaan.

De Raad is van oordeel dat appellante en haar gemachtigde ten tijde van het inschakelen van de deskundigen Kraaijenbrink en Mutsaers er zonder meer van uit mochten gaan dat deze deskundigen een bijdrage zouden leveren aan een voor appellante gunstige uitkomst van het geschil: te weten volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO op medische gronden. Het feit dat, anders dan Mutsaers, Kraaijenbrink aan appellante al had gerapporteerd, voordat Van den Bosch aan de rechtbank verslag had uitgebracht, maakt dit overigens niet anders. Dit geldt ook voor het feit dat in de bezwaarfase reeds door een andere psychiater op verzoek van appellante een expertise was verricht.

Dat de rechtbank, dat wat betreft het medisch aspect de door haar ingeschakelde deskundige Van den Bosch heeft gevolgd, uiteindelijk tot een volledige arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden heeft geconcludeerd en op die grond het besluit op bezwaar heeft vernietigd, kan aan dit oordeel van de Raad niet afdoen.

Wat betreft de rapporten van Kraaijenbrink komt op basis van de door mr. De Bie overgelegde urenspecificaties, het Besluit en het Besluit Tarieven in Strafzaken voor vergoeding in aanmerking maximaal 12 uren à € 81,23 = € 974,76 en voor de nadere reactie ½ uur à € 81,23 = € 40,62, tezamen € 1.015,38.

Wat betreft de rapportage van Mutsaers komt op basis van het Besluit en het Besluit Tarieven in Strafzaken voor vergoeding in aanmerking maximaal 12 uren à € 81,23 = € 974,76.

Mr. De Bie heeft ter zitting verklaard dat voor geen andere deskundigenrapporten dan de hiervoor vermelde vergoeding wordt gevraagd.

Wat betreft de gevraagde proceskostenvergoeding voor schriftelijke reacties overweegt de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een door haarzelf aan een procespartij gevraagd commentaar op een rapport van een door haar ingeschakelde medisch deskundige niet voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, omdat de medische grondslag van een op een andere grond vernietigd besluit door de rechtbank juist is bevonden en de kosten van zo'n reactie daarom onnodig zouden zijn gemaakt.

Dat oordeel acht de Raad, naast hetgeen het Besluit ter zake voorschrijft, vooral ook onjuist omdat de rechtbank hiermee miskent dat ten tijde van het vragen van dat commentaar een procespartij het oordeel van de rechtbank over het ter toetsing liggende besluit nog niet kan kennen.

Wat betreft de vergoeding van de schriftelijke reacties stelt de Raad vast dat alleen de brief van 20 juli 2005 van mr. De Bie als een zienswijze op een nader rapport van de deskundige Van den Bosch kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb. Het Besluit kent daarvoor 0,5 punt toe.

De brief van 31 januari 2005 merkt de Raad niet aan als een inhoudelijk commentaar op het rapport van de deskundige Van den Bosch maar als inzending van een nader stuk.

De brief van 3 november 2005 is, zo is daarin aangegeven, ter voorbereiding van de zitting van de rechtbank van 16 november 2005 ingezonden en houdt, nu in de pleitnota uitdrukkelijk naar de brief van 3 november 2005 wordt verwezen, in feite een gedeelte van de ter zitting voorgedragen pleitnota in.

De Raad zal derhalve de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarin een proceskostenveroordeling is uitgesproken en die proceskostenveroordeling zelf vaststellen.

De Raad veroordeelt op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv in de proceskosten in eerste aanleg van appellante tot een bedrag van € 1990,14 voor kosten van deskundigenrapporten en € 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, in totaal € 2.795,14.

Tevens acht de Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin over de vergoeding van proceskosten in eerste aanleg is beslist;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 3.439,14, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.