Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
05-5213 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuursrechter gaat uit van een eigen vaststelling en waardering van feiten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2006-10-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/14
JB 2007/15
JWWB 2006, 327

Uitspraak

05/5213 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 juli 2005, nr. 05/27 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Marchal. Het College heeft zich, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft met ingang van 29 juli 2002 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.

Op 19 januari 2004 is appellant door de politie aangehouden in verband met de exploitatie van een hennepkwekerij in zijn woning. Door een inspecteur-rechercheur van het Bureau Financiële Ondersteuning, regiopolitie Limburg-Noord, is op 15 april 2004 een proces-verbaal opgemaakt inzake de berekening van het uit de betreffende hennepkwekerij wederredelijk verkregen voordeel. Uit dit proces-verbaal blijkt onder meer dat de kwekerij in de woning van appellant een totale capaciteit had van 80 planten en dat deze zorgvuldig was opgezet en ingericht. De kwekerij was er blijkens het proces-verbaal op gericht om zowel kwalitatief als kwantitatief een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. Blijkens het proces-verbaal hadden er in de woning van appellant naar schatting acht hennepteelten plaatsgevonden. Bij de ontmanteling van de hennepkwekerij werd de laatste kweek in beslag genomen. Het proces-verbaal van 15 april 2004 is vervolgens in handen gesteld van de sociale recherche. Deze heeft, uitgaande van de normale kweekcyclus van tien weken de aanvang van de exploitatie van de kwekerij schattenderwijs vastgesteld op 70 weken vóór de datum van de huiszoeking, derhalve op

16 september 2002. Op 14 mei 2004 is appellant door de sociale recherche gehoord. Appellant heeft toen onder meer verklaard dat hij de hennep voor eigen gebruik heeft geteeld en hij bestrijdt dat de kwekerij reeds 70 weken vóór 19 januari 2004 actief was. Overigens heeft appellant zich in verband met een lopende strafzaak over de ingangsdatum niet verder uitgelaten. De verklaring van appellant is opgenomen in het rapport van de sociale recherche van 13 juli 2004.

Bij besluit van 23 juli 2004 heeft het College de aan appellant verleende bijstand over de periode van 16 september 2002 tot en met 19 januari 2004 ingetrokken en een bedrag van € 17.132,74 aan betaalde kosten van bijstand over die periode van appellant teruggevor-derd.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

23 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooreerst merkt de Raad op dat appellant ook in hoger beroep de grief heeft opgeworpen dat, nu de tegen hem gerichte strafzaak nog niet is afgerond, de bestuursrechter zich geen oordeel kan vormen over onderliggende strafbare feiten, zonder in strijd te komen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 17 van de Grondwet en in het algemeen met een faire en eerlijke procedure. Daarbij is verwezen naar artikel 339, in samenhang met artikel 344, eerste lid en onder l van het Wetboek van Strafvordering. Uit die artikelen blijkt dat als wettige bewijsmiddelen ook schriftelijke bescheiden worden erkend en dat onder schriftelijke bescheiden onder meer worden verstaan “beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast”.

Anders dan appellant meent is hier echter geen sprake van een beoordeling van strafbare feiten door de bestuursrechter. De Raad wijst er op dat de bestuursrechter, zich over een geheel andere rechtsvraag een oordeel dient te vormen dan de strafrechter. Daarbij gaat de bestuursrechter uit van een eigen vaststelling en waardering van de betreffende feiten en omstandigheden. Derhalve valt niet in te zien dat de bestuursrechter zich vooralsnog zou dienen te onthouden van een oordeel. Ook de strafrechter gaat uit van een eigen vaststelling en waardering waartoe behoort een waardering van de wettige bewijsmiddelen. Deze grief van appellant kan derhalve niet slagen.

Vaststaat dat de politie op 19 januari 2004 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. Gelet op de omvang van deze kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake is geweest van een professionele kwekerij.

Appellant stelt zich op het standpunt dat er geen grond bestaat voor de stelling van het College dat de kwekerij reeds op 16 september 2002 in bedrijf was.

De Raad overweegt dienaangaande dat appellant geen concrete verifieerbare gegevens heeft willen verstrekken over de (aanvang van de) exploitatie van de kwekerij, de productie en de afzet. Evenmin heeft hij een administratie bijgehouden. Dusdoende heeft hij met betrekking tot het kunnen vaststellen van de start van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening en risico dienen te blijven. Het College is naar het oordeel van de Raad niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden door voor wat de aanvang van de exploitatie betreft uit te gaan van de datum

16 september 2002. De Raad is met name niet gebleken dat de schatting in het proces-verbaal van 15 april 2004, dat acht hennepteelten hebben plaatsgevonden, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Van de zijde van appellant zijn geen gegevens ingebracht waaruit kan blijken dat deze schatting niet als juist zou kunnen worden bestempeld. Genoemd proces-verbaal vindt naar het oordeel van de Raad steun in de objectieve gegevens van Eneco omtrent het energieverbruik in de woning van appellant. Zo is op 19 januari 2004 gebleken dat er een excessieve toename van het stroomverbruik heeft plaatsgevonden ten opzichte van 27 december 2000, vooral wat betreft de nachtstroom. Dat er in de jaren 2001 en 2002 door Eneco een normaal stroomverbruik is geregistreerd acht de Raad niet relevant. Die registratie berust uitsluitend op de opgave die appellant zelf heeft gedaan in 2001 en op een naar aanleiding hiervan door Eneco gemaakte schatting van het verbruik in 2002. Daarenboven zijn die jaren grotendeels gelegen in een periode vóór de geschatte aanvang van de exploitatie van de kwekerij.

Dat de hoge energiekosten voor een belangrijk deel zouden zijn veroorzaakt door het voortdurend gebruik van een elektrische kachel en een airconditioner, zoals appellant heeft gesteld, acht de Raad niet geloofwaardig. Dit gebruik weegt namelijk niet op tegen het hoge stroomverbruik van assimilatielampen en dompelpompen in een professionele hennepkwekerij als de onderhavige.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft het College zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat appellant het exploiteren van deze kwekerij, hetgeen onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand, niet heeft gemeld en aldus de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het gevolg hiervan is dat het recht op bijstand over de periode van 16 september 2002 tot en met 19 januari 2004 niet kan worden vastgesteld.

Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan appellant over de periode van

16 september 2002 tot en met 19 januari 2004 verleende bijstand in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid niet tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.132,74 over te gaan. Naar het oordeel van de Raad geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat het College in het geval van appellant in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) S.W.H. Peeters.

JK/1396