Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
05-5072 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering vanwege gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5072 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[betrokkene] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 juni 2005, 04/3188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. de Boer, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Voor appellant is verschenen mr. De Boer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 1 maart 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 31 maart 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 17 maart 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [partner] (hierna: [partner]).

Op 2 april 2004 heeft appellant opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 13 mei 2004, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2004, heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken van een wijziging in de omstandigheden van appellant sedert de intrekking.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 31 maart 2004 zodat de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 17 maart 2004 in rechte onaantastbaar is geworden.

Indien een belanghebbende na beëindiging of intrekking van zijn bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag om bijstand indient, ligt het volgens vaste rechtspraak van de Raad op diens weg om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het ligt derhalve op de weg van appellant aan te tonen dat hij ten tijde van de aanvraag om bijstand niet langer met [partner] een gezamenlijke huishouding voerde.

Uit de gedingstukken blijkt dat [partner] van 19 april 2004 tot en met 6 mei 2004 in het ziekenhuis heeft verbleven en aldaar op 1 mei 2004 is bevallen van een kind, dat door appellant is erkend. Aansluitend aan het verblijf in het ziekenhuis is aan [partner] en haar baby kraamzorg verleend in het huis van haar moeder in Culemborg waar zij ook in de laatste fase van haar zwangerschap door een verloskundige is bezocht. Tijdens een consult op 8 april 2004 heeft [partner] aan een medewerker van het Medisch Maatschappelijk Werk verteld dat zij sinds drie weken in het huis van haar moeder verblijft en dat zij na de bevalling in elk geval niet naar het woonhuis van appellant zal gaan. Uitkomst van dat gesprek is geweest dat ernaar wordt gestreefd dat [partner] na de bevalling bij haar moeder in Culemborg zal blijven totdat er andere woonruimte voor haar en haar baby is gevonden. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat op 7 mei 2004 een huisbezoek is gebracht aan de woning van appellant en dat de zoon van appellant toen heeft verklaard dat [partner] daar niet woonde.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, bezien in hun onderlinge samenhang, is de Raad, anders dan de rechtbank en het College, van oordeel dat de omstandigheden na de intrekking van de bijstandsuitkering van appellant in relevante mate zijn gewijzigd en met name dat [partner] op 2 april 2004 (de datum van de aanvraag) niet langer haar hoofdverblijf had in de woning van appellant zodat appellant en [partner] op die datum niet langer een gezamenlijke huishouding voerden. Daaraan staat niet in de weg dat tijdens het huisbezoek op 7 mei 2004 is geconstateerd dat er in de woning van appellant damesschoenen, dameskleding, een kinderwagen en Prenatalspullen aanwezig waren en dat een van de slaapkamers pas behangen was met behang met "baby-motief".

Gelet op vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 25 november 2004, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering berust. Hieruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en gegrondverklaring van het beroep, het besluit van 25 november 2004 dient te worden vernietigd. De Raad zal bepalen dat het College, met in achtneming van deze uitspraak, opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 2004.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 november 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Arnhem aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Arnhem aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) S.W.H. Peeters.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

EK1309