Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
05-4705 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ernstig plichtsverzuim arrestantenbewaarder. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4705 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 8 juni 2005, 05/695 en 05/738 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Appellant is verschenen met bijstand van mr. B.J. Sanders, advocaat te Zutphen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks, werkzaam bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland. Op verzoek van appellant zijn als getuigen beëdigd en gehoord [getuige 1], en [getuige 2].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1955, was op een politiebureau te [standplaats] werkzaam als arrestantenbewaarder. Op 17 november 2004 is hij, al dan niet rechtstreeks, betrokken geweest bij de omwisseling van een vals biljet van € 50, afkomstig uit de personeelskas, met een echt biljet van € 50 uit de fouillering van één van de arrestanten. Vanwege die volgens de korpsbeheerder direkte betrokkenheid is hem, overeenkomstig een daartoe bekend gemaakt voornemen, bij besluit van 5 april 2005 met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf opgelegd van ontslag met ingang van 1 mei 2005.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans nog van belang, heeft de voor-zieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De omwisseling van een vals biljet uit de personeelskas met een echt biljet uit de fouillering van een arrestant heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van appellant, diens collega-arrestantenbewaarder [getuige 2] (WW) en de politiestagiaire [getuige 1] (MB). Laatstgenoemde heeft de volgende dag van het gebeurde melding gemaakt bij haar chef, waarna een onderzoek is ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV). Alle drie betrokkenen zijn meerdere malen door BIV gehoord, teneinde duidelijkheid te verkrijgen op punten waarover zij uiteenlopend hadden verklaard. De afgelegde verklaringen zijn ondertekend en vastgelegd in ambtsedige processen-verbaal.

2.2. In geschil is de mate van betrokkenheid van appellant bij de omwisseling en - in verband daarmee - de al dan niet onevenredigheid van de hem opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag.

2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat WW was belast met het beheer van de personeelskas. Uit deze kas werden rook- en snoepwaren gekocht, die desgevraagd aan arrestanten werden doorverkocht. De door een arrestant gekochte artikelen werden afgerekend door geld te halen uit diens fouillering - de bij aanhouding aangetroffen persoonlijke bezittingen, die in een plastic zakje in een kast met laden worden bewaard - en dit geld in de personeelskas te deponeren. Eventueel wisselgeld werd weer aan de fouillering toegevoegd. Op de bewuste datum, 17 november 2004, kwam WW erachter dat hij een vals biljet van € 50 afkomstig uit de personeelskas bij zich had en heeft hij dit aan appellant gemeld. Omdat zij vermoedden dat het valse biljet afkomstig was van een arrestant die een of meer artikelen had aangeschaft, zijn zij beiden de kast met fouilleringen gaan doorzoeken. In de lade van cel 9 heeft appellant een plastic zakje gevonden waarin zich (ten minste) twee biljetten van € 50 bevonden. Hij heeft WW hierop opmerkzaam gemaakt door het zakje op te tillen.

2.4. De lezing van appellant komt erop neer dat hij WW slechts heeft willen helpen om de herkomst van het valse biljet vast te stellen. Hij heeft het zakje in de lade van cel 9 alleen maar aangewezen omdat dit, gezien de aanwezigheid van biljetten van € 50, wellicht de fouillering zou kunnen zijn waaruit het valse biljet afkomstig is geweest. Toen WW vervolgens suggereerde om de biljetten om te wisselen, heeft hij zich hiervan gedistantieerd door te zeggen dat het WW's eigen verantwoordelijkheid betrof en is hij met zijn werk verder gegaan. Dit temeer omdat hij, als één van de weinige arrestanten-bewaarders, nooit iets met het beheer van de personeelskas te maken heeft willen hebben. Appellant is van mening dat hem hoogstens kan worden verweten dat hij niet krachtiger heeft geprobeerd om WW van diens voornemen af te houden, maar die nalatigheid rechtvaardigt zijns inziens geen onvoorwaardelijk strafontslag.

2.5. De korpsbeheerder ziet een veel verder gaande betrokkenheid van appellant. Op grond van de verklaringen van WW en MB is hij van mening dat appellant actief aan de omwisseling heeft deelgenomen. Subsidiair leidt hij uit de door appellant zelf op 18 november 2004 - daags na het gebeurde - tegenover BIV afgelegde verklaring af dat appellant gericht heeft helpen zoeken naar een echt biljet van € 50 en daadwerkelijk getuige is geweest van de omwisseling met het valse biljet, doch niet heeft ingegrepen. Weliswaar heeft appellant zijn eerste verklaring later afgezwakt, maar dit acht de korpsbeheerder mede gezien de verklaringen van WW en MB niet geloofwaardig.

2.6. Ter zitting van de Raad als getuige gehoord, heeft MB verklaard dat appellant en WW eerst hebben gezocht naar een zakje met een bedrag dat als wisselgeld voor het valse biljet van € 50 kon zijn teruggegeven. Zo'n zakje werd niet gevonden. Vervolgens zijn zij gaan zoeken naar een zakje met één of meer biljetten van € 50. Toen appellant dit in de lade van cel 9 had gevonden en aan WW had getoond, heeft één van beiden hardop gezegd: "Hiermee kunnen we het wel doen". Bij het omwisselen heeft appellant zowel bankbiljetten als het zakje in handen gehad en appellant heeft het zakje na het omwisselen weer gesloten.

2.7. De Raad beoordeelt deze getuigenverklaring van MB als stellig, consistent en zakelijk in overeenstemming met de verklaring die zij bij herhaling tegenover BIV heeft afgelegd. Ook overigens heeft de Raad geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van de verklaring van MB te twijfelen. Al aangenomen dat MB er een eigen belang bij had om haar protesten tegen de omwisseling aan te dikken, zoals appellant heeft aangevoerd, dit geldt niet voor de hier aan de orde zijnde vraag of de omwisseling alleen door WW dan wel door WW en appellant gezamenlijk is uitgevoerd. Hetgeen MB heeft verklaard over het zoeken in de fouilleringskast spoort met de eerste verklaring die appellant tegenover BIV heeft afgelegd, met de verklaringen van WW tegenover BIV en met de getuigenverklaring van WW ter zitting. Hetgeen MB heeft verklaard omtrent de daadwerkelijke omwisseling vindt bevestiging in de verklaring van WW tegenover BIV en ter zitting, inhoudende dat het in zijn beleving een gezamenlijke actie van appellant en hemzelf betrof, al herinnert hij zich niet meer wie precies wat heeft gedaan. Dat MB nog steeds bij de politie werkt kan niet, zoals appellant blijkbaar wil, worden aangemerkt als een reden om op voorhand aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen. Alles bijeengenomen is de Raad er genoegzaam van overtuigd geraakt dat de omwisseling heeft plaatsgevonden op de wijze die MB heeft geschetst.

2.8. Het verweer van appellant dat slechts de uiterlijke omstandigheden op gezamenlijk handelen wijzen, maar dat hij zich innerlijk niet bewust was van de strekking van wat er gebeurde en alleen maar wilde uitzoeken waar het valse biljet vandaan kwam, acht de Raad niet aannemelijk. Gelet op hetgeen hiervóór is vastgesteld omtrent de feiten, moet appellant redelijkerwijs hebben beseft dat hij bezig was het valse biljet van € 50 toe te spelen aan een willekeurige arrestant. Niets concreets duidt erop dat dit anders is geweest.

2.9. De Raad concludeert dat de korpsbeheerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant actief en toerekenbaar heeft deelgenomen aan het omwisselen van het valse biljet van € 50 voor een echt bankbiljet dat toebehoorde aan een arrestant. Terecht heeft de korpsbeheerder dit aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is daaraan niet onevenredig. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant heeft meegewerkt aan de benadeling van een aan zijn zorg toevertrouwde arrestant en daarmee het noodzakelijk in een arrestantenbewaarder te stellen vertrouwen heeft verspeeld.

2.10. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft appellant nog gewezen op het geval van AM, aan wie voor een vermogensrechtelijk vergrijp een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar is opgelegd. Appellant heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat het ging om een politieambtenaar die een ingevroren maaltijd van het bureau mee naar huis had genomen. Gelet op deze toelichting is de Raad van oordeel dat beide gevallen niet op één lijn zijn te stellen.

2.11. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.C.F. Talman en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

21.09