Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
05-4620 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering te veel ontvangen wachtgeld. Inkomsten uit eigen onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4620 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 juni 2005, 2004/2465 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 31 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote [echtgenote]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.G.E. Alberti, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties bv.

II. OVERWEGINGEN

1. In de aangevallen uitspraak is de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als verweerder vermeld in plaats van de minister, voor wie eerstgenoemde als gemandateerde optrad. De Raad merkt dit aan als een kennelijke misslag, waar appellant geen nadeel van heeft ondervonden.

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijn feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Aan appellant is met ingang van 1 juni 1994 ontslag verleend uit zijn ambtelijke aanstelling en namens de minister wachtgeld toegekend op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959.

Appellant verrichtte tijdens zijn aanstelling als ambtenaar nevenwerkzaamheden op zijn boerderij en tevens in een bouwkundig ontwerp- en adviesbureau en kreeg daar inkomsten uit. Het bouwkundig ontwerp- en adviesbureau is in 1993 omgezet in een besloten vennootschap (hierna: BV).

1.3. Op de maandelijkse informatieformulieren van het jaar 2000 heeft appellant steeds vermeld dat hij geen wijziging van zijn inkomsten uit de boerderij en de BV verwachtte. Na ontvangst van inlichtingen uit hoofde van een strafrechtelijk onderzoek heeft de minister in verband met appellants wachtgeld een zogeheten rapport werknemersfraude laten opmaken. Mede gelet op de jaarrekening van de BV over 2000 en de inlichtingen van de belastingdienst over de inkomsten van appellant in 2000, heeft de minister bij besluit van 23 maart 2004 het wachtgeld over dat jaar herberekend, de vermindering van het wachtgeld vastgesteld op € 24.291,83 en dit bedrag van appellant teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 3 augustus 2004 is het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2004 ongegrond verklaard. De berekening in het bestreden besluit laat zien dat de vermindering van het wachtgeld met € 24.291,83 geheel het gevolg is van de in het jaar 2000 door de BV gemaakte winst en dat rekening is gehouden met appellants, niet voor vermindering in aanmerking komende, zogenoemde aangehouden inkomsten uit deze onderneming.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep de stelling betrokken dat de werkzaamheden voor de BV grotendeels niet door hem zijn verricht en daartoe gewezen op de verklaring van

27 augustus 2005 van zijn echtgenote waarin zij haar verklaringen van 12 februari 2003 en 7 april 2003 intrekt. Appellant zou vooral werkzaamheden verricht hebben op de boerderij, terwijl zijn vrouw en dochter veel werkzaamheden voor de BV hebben verricht. Appellant meent voorts dat het bedrijfsresultaat van de BV voor een groot deel te danken is aan uitbestede werkzaamheden en niet aan zijn - in omvang gelijk gebleven -

werkzaamheden als voor zijn ontslag. Tenslotte heeft appellant gewezen op de afspraken over de invulling door hem van de informatieformulieren en de verrekening van het jaarinkomen, die hij in 1994 met ambtenaar B heeft gemaakt.

2.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het navolgende.

3.1. In de verklaringen van appellants echtgenote uit 2003 is, kort samengevat, aangegeven dat appellant alle werkzaamheden voor de BV deed en dat zij slechts wat administratieve hulp verstrekte. Zij had geen verstand van advies- en ontwerpwerkzaam-heden en had het bovendien te druk met al het werk voor de boerderij.

Ter toelichting op de tijdens het hoger beroep gedane intrekking van die verklaringen heeft appellant aangegeven dat zijn echtgenote de onverwachte doorzoeking van de woning op 12 februari 2003 intimiderend en angstaanjagend heeft gevonden en dat zij zich toen in wezen van de hele zaak gedistantieerd heeft. Bij de aanhouding van appellant op 7 april 2003 heeft zijn echtgenote geen eerlijke verklaring afgelegd door de intimidatie van de verbalisanten en vanwege de noodzakelijke verzorging van de kinderen, de koeien en de paarden. Appellants echtgenote heeft dit ter zitting bevestigd.

3.1.1. De Raad kan deze nieuwe stellingen niet geloofwaardig achten.

3.1.2. Appellant of zijn echtgenote heeft in de eerste plaats niets naar voren gebracht ter verklaring van het voorbij laten gaan van meer dan twee jaar voordat de thans genoemde omstandigheden en de onjuistheid van hetgeen is vermeld in de processen-verbaal aan de orde zijn gesteld.

3.1.3. Voorts wijst de Raad op het rapport werknemersfraude van 11 februari 2004. Blijkens een citaat uit een verhoor van appellant zelf op 7 april 2003 verricht appellant zelf feitelijk alle werkzaamheden binnen het bedrijf. Hij somt in dit citaat op: het schrijven van bestekken, het maken van begrotingen, het opvragen van offertes, het adviseren over de aannemer, het begeleiden van de aanbestedingen, het controleren van de door de aannemer verrichte werkzaamheden en het plegen van overleg met de gebruikers van de gebouwen, rayonmanagers en projectmanagers. Appellant heeft daar meegedeeld zes dagen per week van 7.00 uur tot 22.00 uur en zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur te werken. Appellant heeft deze verklaring van 7 april 2003 weliswaar nooit ondertekend, maar heeft de inhoud hiervan ook niet uitdrukkelijk betwist. Mede gelet op de omstandigheid dat appellants echtgenote, naar zij ter zitting heeft bevestigd, als opleiding de MEAO heeft gedaan en geen bouwkundige achtergrond heeft, zal zij de hiervoor genoemde werkzaamheden van de BV niet verricht hebben. Een plausibele verklaring over de uitvoering van de werkzaamheden van de BV ontbreekt derhalve bij de in hoger beroep betrokken stelling van appellant.

3.1.4. De Raad wijst er ook op dat de correspondentie aan de BV steeds aan appellant zelf gericht is geweest en dat de functionaris van de belangrijkste opdrachtgever van de BV heeft verklaard dat hij alleen met appellant veelvuldig contact had bij de opdrachten aan de BV.

3.2. Appellants stelling ten aanzien van het uitbestede werk treft geen doel, omdat de door appellant daarvan opgegeven bedragen slechts f 64.072,65 belopen bij een omzet van in totaal f 505.946,-. Aan te nemen valt bovendien dat appellant de uitbestedingen heeft verricht en begeleid.

3.3. Het betoog van appellant kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de inkomsten van de BV bij het bestreden besluit ten onrechte grotendeels aan appellant zijn toegerekend.

3.4. Appellant is van opvatting dat hij in 1994 met ambtenaar B heeft afgesproken dat hij op de maandelijkse werkbriefjes geen opgave zou doen van zijn gewerkte uren en de verdiensten daaruit. Pas na afloop van het jaar zou over het gehele jaar verrekening van de inkomsten met het wachtgeld plaatsvinden. Appellant heeft daartoe gewezen op het inlichtingenformulier van juli 1994, waarop de naam en het telefoonnummer van ambtenaar B vermeld staan. Op grond van die afspraak heeft appellant ook in 2000 op de informatieformulieren geen gewerkte uren en verdiensten opgegeven en kan hem dit volgens hem niet verweten worden.

3.4.1. De Raad stelt voorop dat de gedingstukken geen aanwijzingen bevatten voor een afspraak als door appellant genoemd. Ook indien echter ambtenaar B in juli 1994 bij de aanvang van appellants wachtgeld met hem een afspraak heeft gemaakt zoals door appellant verwoord, dan betreft deze uitsluitend de wijze van verrekening - per maand of per jaar - en kan dit wat betreft de genoemde bedragen naar zijn aard alleen een afspraak voor de eerst komende tijd zijn, bijvoorbeeld voor het eerste jaar. Een dergelijke afspraak kan appellant in geen geval reden geven om te veronderstellen dat hij een vrijbrief heeft om in 2000 op de maandelijkse inlichtingenformulieren in te vullen dat hij met de BV niet meer verdiende dan f 2.405,25 en geen wijzigingen in dat bedrag verwachtte, terwijl de omzet van de BV in dat jaar uiteindelijk f 506.946,- zou bedragen en het resultaat na belastingen uiteindelijk op f 127.689,- uitkwam. De Raad wijst er op dat appellant ook na afloop van 2000 aan de minister geen mededeling heeft gedaan van de grote stijging van de omzet en inkomsten, hetgeen ingevolge appellants zienswijze over de gemaakte afspraak op zijn weg zou hebben gelegen.

3.4.2. Het vorenstaande brengt mee dat de minister op goede gronden de onterechte betaling van het wachtgeld aan het toedoen van appellant heeft toegeschreven.

3.5. De Raad concludeert derhalve dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

3.6. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

J.C. F. Talman en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.D. van Dissel-Singhal, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

HD

25.09