Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
04-6859 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In rechte staat vast dat geen terugvorderingsbesluit is genomen. Nader besluit kan in stand blijven.

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6859 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 november 2004, 04/302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 2 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft de minister op aanwijzing van de Raad een nieuw besluit genomen, welke besluit bij het onderhavige geding wordt betrokken.

Appellant heeft op 12 juni 2006 een reactie ingezonden.

Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen, heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is na beëindiging van zijn betrekking aan de Nutsacademie te Rotterdam met ingang van 1 oktober 1986 een wachtgeld toegekend op grond van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, gebaseerd op een betrekkingsomvang van 18.18 uur. Met ingang van 1 maart 1994 (respectievelijk 1 januari 1996) is het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) op appellant van toepassing geworden. Bij besluit van 21 januari 1996 heeft de minister de omvang van appellants uitkering vastgesteld op 31.42 uur.

1.2. Bij besluiten van 15 april 1997 (hierna: wijzigingsbesluiten) heeft de minister aan appellant meegedeeld dat de omvang van appellants uitkering per 1 januari 1996 ten onrechte is bepaald op 31.42 uur en heeft de minister die omvang nader vastgesteld op

12 uur. In de maanden juni tot en met augustus 1997 heeft de minister de geconstateerde teveel betaalde uitkering verrekend met appellants lopende uitkering.

1.3. Het door appellant tegen de wijzigingsbesluiten gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit op bezwaar van 1 augustus 1997 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 23 december 1998 heeft de rechtbank (97/804) dat besluit in stand gelaten. De rechtbank overwoog daartoe onder meer, dat de minister de bij besluit van

21 januari 1996 onjuist vastgestelde omvang van het aantal uren waarop appellants wachtgelduitkering was gebaseerd op goede gronden heeft herzien. Voorts overwoog de rechtbank dat mogelijk bij appellant gewekt vertrouwen daaraan niet kan afdoen, doch wel aan de orde dient te komen bij een eventueel besluit tot terugvordering. De rechtbank overwoog dat nu van een zodanig besluit niet is gebleken, de minister, indien en voor zover deze tot terugvordering zou willen overgaan, daartoe eerst nog een apart terug-vorderingsbesluit dient te nemen.

1.5. Bij uitspraak van 1 maart 2001 (99/857 AW) heeft deze Raad voornoemde uitspraak van de rechtbank bevestigd. Ten aanzien van appellants grief dat de minister inmiddels de teveel betaalde uitkering heeft verrekend met de lopende uitkering overwoog de Raad dat hij zich aansluit bij de overwegingen van de rechtbank, namelijk dat het besluit op bezwaar van 1 augustus 1997 zich niet over de terugvordering van de uitkering uitstrekt en dat de rechtbank zich derhalve terecht niet over de terugvordering heeft uitgelaten.

1.6. Bij brief van 11 april 2001 heeft appellant de minister - met een beroep op voor-noemde overwegingen van de rechtbank - verzocht om terugbetaling van het naar zijn mening zonder rechtsgrond over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1997 ingehouden deel van zijn uitkering, vermeerderd met wettelijke rente. Bij het thans bestreden besluit van 16 maart 2004 heeft de minister dit verzoek afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover thans nog van belang - geoordeeld dat sprake is geweest van in de uitkeringsspecificaties over mei, onderscheidenlijk juni, juli en augustus 1997 neergelegde besluiten tot terugvordering en verrekening en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen rechtsgrond is tot terugbetaling van hetgeen aldus is verrekend. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 maart 2004 ingestelde beroep in zoverre ongegrond verklaard.

3.1. Appellant betoogt in hoger beroep - kort samengevat - dat, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat van een terugvorderingsbesluit niet is gebleken en zodanig besluit nadien niet is gegeven, er geen grondslag was voor de terugvordering/verrekening van de teveel betaalde uitkering. Voorts betoogt appellant dat, gelet ook op uitlatingen van een mede-werker van USZO, niet sprake was van een zodanig foutieve vaststelling dat appellant niet mocht vertrouwen op de eerdere vaststelling van de omvang op 31.42 uur, alsmede dat de wijze waarop de minister van zijn bevoegdheid tot terugvordering heeft gebruik-gemaakt, in strijd is met een evenwichtige belangenafweging.

3.2. De minister stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat appellant alleen tegen de wijzigingsbesluiten van 15 april 1997 bezwaar heeft gemaakt en niet tevens tegen de uitkeringsspecificatie van mei 1997, welke specificatie dient te worden aangemerkt als een terugvorderingsbesluit. Voorts heeft appellant noch tegen de feitelijke verrekening van het teveel uitgekeerde bedrag met de uitkering, noch tegen de daarop betrekking hebbende uitkeringsspecificaties, afzonderlijk rechtsmiddelen aangewend.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellant te veel wachtgeld is betaald. De Raad stelt voorop dat de minister aan het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van het BWOO (oud) in beginsel de bevoegdheid ontleent om hetgeen op grond van dit besluit onverschuldigd is betaald geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de gevallen waarin betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het uitvoeringsorgaan onverschuldigd betaalde. Aangezien het een discretionaire bevoegdheid betreft, dient het uitvoeringsorgaan aan een besluit tot terugvordering of verrekening een belangenaf-weging ten grondslag te leggen.

4.2. Gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de rechtbank van 23 december 1998 (97/804), tegen welke uitspraak de minister geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat in rechte vast dat in dit geval geen besluit tot terugvordering was genomen.

4.3. Dit betekent dat het bestreden besluit van 16 maart 2004, waarbij de minister heeft overwogen dat aan de verrekening van het teveel betaalde wachtgeld een terugvorderings-besluit ten grondslag ligt, in rechte geen stand kan houden. De Raad ziet daarin aanleiding het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, te vernietigen.

5. De Raad heeft het in het belang van partijen niet aangewezen geacht dat de onder-havige zich reeds lange tijd voortslepende zaak wordt teruggewezen. Nu partijen in hoger beroep hun standpunten ten gronde hebben weergegeven en hebben ingestemd met finale afdoening van het geschil heeft de Raad de minister verzocht om, uitgaande van het ontbreken van een terugvorderingsbesluit, alsnog omtrent de terugvordering te beslissen en daarbij aandacht te besteden aan de door appellant naar voren gebrachte belangen. De minister heeft daarop het terugvorderingsbesluit van 11 mei 2006 genomen. Waar appellant zich blijkens zijn brief van 12 juni 2006 aan de Raad met dit - als nieuwe beslissing op bezwaar aan te merken - besluit niet kan verenigen, wordt hij geacht tegen dit besluit beroep te hebben ingesteld. De Raad overweegt daarover als volgt.

5.1. Overeenkomstig de door de Raad aan de minister gegeven aanwijzing heeft deze, ter voorbereiding op het besluit van 11 mei 2006, appellant in de gelegenheid gesteld zijn belangen alsnog naar voren te brengen. Bij brief van 6 mei 2006 heeft appellant uiteengezet dat hij in 1996 van een medewerker van het uitvoeringsorgaan telefonisch uitleg heeft gekregen over de vermindering van zijn wachtgeld. Appellant stelt dat hij redelijkerwijs van die gegeven uitleg mocht uitgaan en dat hij daaraan het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de hoogte van de wachtgelduitkering destijds juist was vastgesteld.

5.2. De minister ziet blijkens het besluit van 11 mei 2006, ook na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om de in 1997 toegepaste vermindering ongedaan te maken.

5.3. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel. Hij verwijst daartoe naar hetgeen hij - met betrekking tot de herziening van de omvang van de uitkering - reeds in zijn onder 1.5. genoemde uitspraak van 1 maart 2001 heeft overwogen, kort samengevat, dat appellant had kunnen weten dat de omvang van zijn uitkering nimmer op een hoger aantal uren kon uitkomen dan de 18.18 uur van zijn in 1986 verloren betrekking. De Raad kan de grief van appellant dat in strijd met het rechtszekerheids- dan wel het vertrouwensbeginsel is gehandeld derhalve ook nu niet onderschrijven.

6. Het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 11 mei 2006 moet dus ongegrond worden verklaard.

7. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 18,48 aan reiskosten in eerste aanleg en € 32,58 aan reiskosten in hoger beroep, totaal € 51,06.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 11 mei 3006 ongegrond;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 422,69, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 238,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.H. van Kreveld als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

02.10