Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2006
Datum publicatie
16-10-2006
Zaaknummer
04-3728 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3728 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 juni 2004, 03/559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.M. Veldjesgraaf, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 februari 2005 heeft mr. A.J.E. Riemslag, advocaat te Almelo, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. Deze heeft de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wiersma.

II. MOTIVERING

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als huishoudelijk medewerkster in dienst van de Stichting Caritas St. Egbert op Schiermonnikoog. Op 3 november 2001 heeft zij haar werkzaamheden gestaakt in verband met klachten van zware hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid. Ter beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd is appellante op 3 september 2002 onderzocht door de verzekeringsarts W. Noorduin. Deze won inlichtingen in bij de Polikliniek Pijncentrum van het Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG) en stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige L. Palm geconcludeerd dat appellante ongeschikt was voor het eigen werk, omdat daarin haar belastbaarheid ten aanzien van met name lopen en staan ruimschoots werd overschreden. Hij achtte appellante echter nog wel in staat tot het vervullen van een aantal andere functies, waarmee zij een zodanig inkomen kon verwerven dat er ten opzichte van haar maatmaninkomen geen relevant verlies aan verdienvermogen bestond.

Bij besluit van 15 november 2002 heeft het Uwv daarop geweigerd aan appellante ingaande 1 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg. Bij het bestreden besluit van 25 april 2003 heeft het Uwv dit besluit van 15 november 2002 na bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is van de zijde van appellante met name de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Aangevoerd is dat het Uwv zich bij de medische beoordeling te zeer heeft gericht op de aanvankelijk bij appellante gestelde – voorlopige – diagnose fibromyalgie en onvoldoende aandacht heeft besteed aan de andere bij appellante bestaande klachten, zoals die van de rechterpols/hand. Appellante zou inmiddels naar een orthopedisch chirurg zijn verwezen in verband met een M. Quervain van de rechterpols. Evenmin zou rekening zijn gehouden met appellantes klachten van de linkerarm/elleboog: daarbij is erop gewezen dat appellante daaraan in 1990 driemaal is geopereerd, terwijl zij in juni 2001 bij een ongeval opnieuw een fractuur aan die arm zou hebben opgelopen. Verder ondervindt appellante regelmatig klachten als gevolg van een spastische darm. Ten slotte zou bij bloedonderzoek een bindweefselziekte zijn aangetoond.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de gedingstukken is appellante op 3 november 2001 voor haar werk uitgevallen met klachten van zware hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid. Op het aanvraagformulier WAO van 2 augustus 2002 heeft zij aangegeven op dat moment onder behandeling te zijn van haar huisarts, de neuroloog Lebbink, de arts-assistent van het pijncentrum drs. W. de Lange en de psychologe H. Smid. In antwoord op een verzoek om inlichtingen van verzekeringsarts Noorduin heeft drs. De Lange op 28 oktober 2002 bericht dat bij neurologisch onderzoek in het AZG geen afwijkingen werden aangetoond. Ook oriënterend laboratoriumonderzoek liet geen afwijkingen zien. Herhaald lichamelijk onderzoek leverde daarentegen aanwijzingen op voor fibromyalgie. Bij zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts Noorduin zich, behalve op deze gegevens, gebaseerd op zijn eigen onderzoeksbevindingen en de door hem bij appellante afgenomen anamnese. Daarbij is ook aan de orde gekomen dat er in het verleden een fractuur van de linkerelleboog was geweest, die nog een lichte beperking opleverde. Van een recente fractuur in 2001 is toen niet gebleken en daarvoor is in de aanwezige medische stukken evenmin steun te vinden. Bij de heroverweging in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms op basis van de gedingstukken en van een tijdens de hoorzitting door de gemachtigde van appellante overgelegde verklaring van de behandelend fysiotherapeute van 16 december 2002 geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van de primaire medische beoordeling te twijfelen.

Tijdens de procedure in eerste aanleg is namens appellante een brief van de reumatoloog dr. K.W. Drossaers-Bakker van 24 september 2003 overgelegd, die appellante op verzoek van de huisarts had onderzocht ter uitsluiting van een auto-immuunziekte. Daarbij bleek dat van een dergelijke ziekte geen sprake was. Ten aanzien van de belastbaarheid van gewrichten bij fibromyalgie kon deze specialiste geen uitsluitsel geven, aangezien dit niet tot haar expertise behoorde. In hoger beroep zijn enkele brieven in het geding gebracht van de revalidatiearts J.M. Vastenholt, die appellante sinds april 2004 onder behandeling heeft. Zij was van mening dat een expertise verricht diende te worden om exact de belastbaarheid van appellante te laten bepalen, aangezien zij op dat moment nog geen inschatting kon maken over het mogelijke behandelresultaat. Volgens de door de revalidatiearts vermelde voorgeschiedenis was in 2003 bij appellante sprake van surmenage van de rechter pols en duimmuis. Eerst in 2005 maakt zij echter melding van een M. Quervain van de rechter pols, in verband waarmee appellante is verwezen naar de orthopedisch chirurg Meins.

Namens het Uwv is naar aanleiding van de namens appellante overgelegde medische gegevens meermalen commentaar ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts

L. Zwemer, dat de strekking heeft dat uit deze gegevens niet kan worden afgeleid dat de belastbaarheid op de datum in geding onjuist is vastgesteld.

Ook de Raad komt, de beschikbare medische gegevens in onderlinge samenhang beziend, tot het oordeel dat het Uwv – in navolging van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts – de medische beperkingen van appellante op de datum in geding, 1 november 2002, niet te licht heeft ingeschat. Voor de stelling dat reeds toen meer dan wel zwaardere beperkingen golden is in de overgelegde medische stukken onvoldoende onderbouwing te vinden. Indien appellante van mening is dat haar medische beperkingen nadien zijn toegenomen, kan zij zich met een verzoek om een herbeoordeling tot het Uwv wenden.

De Raad heeft voorts geen aanleiding gevonden de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) P.H. Broier.

MK