Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0022

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
05/4805 WWB, 05/5810 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstandsuitkering? Het College op goede gronden het standpunt ingenomen dat betrokkene inzake beide aanvragen om bijstandsuitkering onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4805 WWB, 05/5810 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[M.A. G.], wonende te [H.],

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 27 juni 2005, 05/317 en 23 augustus 2005, 05/115,

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroepen ingesteld. Het College heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2006. Daarbij zijn de beroepen ter behandeling gevoegd. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Crutzen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.R.H.M. Quaedvlieg, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 29 april 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het College de bijstand met ingang van 1 juni 2004 ingetrokken op de grond dat het recht van appellant op bijstand niet meer kon worden beoordeeld wegens het ontbreken van salarisgegevens. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.

Op 9 augustus 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de WWB (eerste aanvraag). Hij heeft daarbij aangegeven te wonen op het adres [adres] te [H.]. Het College heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant, in welk kader op 26 augustus 2004 is getracht een huisbezoek af te leggen, hetgeen niet is gelukt. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet de volgens het College noodzakelijke inlichtingen over zijn woon-/verblijfadres heeft verstrekt.

Op 29 September 2004 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (tweede aanvraag). In het kader van de behandeling van de tweede aanvraag is op 8 oktober 2004 een huisbezoek afgelegd. Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het College ook deze aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om te kunnen bepalen waar hij daadwerkelijk verblijft.

Bij afzonderlijke besluiten van respectievelijk 14 december 2004 en 18 januari 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 1 oktober 2004 en 13 oktober 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd - samengevat - dat het gezien de onduidelijkheid omtrent de woonsituatie van appellant niet mogelijk is het recht van appellant op bijstand vast te stellen. Aan het besluit van 1 oktober 2004, dat ziet op de eerste aanvraag, is in het bijzonder nog ten grondslag gelegd dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan een met de sociale dienst gemaakte afspraak tot bezichtiging van zijn woonruimte.

Bij de aangevallen uitspraak van 27 juni 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak van 23 augustus 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit

14 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de hiervoor genoemde uitspraken gekeerd. Hij stelt zich in hoofdzaak op het standpunt dat hij geen middelen had om zijn woonruimte in te richten, maar dat hij wel degelijk woonde in een kamer op het door hem opgegeven adres.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bij stand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant bij beide aanvragen onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke verblijfplaats. De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het feit dat medewerkers van de sociale dienst van de gemeente Heerlen op 26 augustus 2004 geen huisbezoek bij appellant konden afleggen, hoewel daarover met appellant een afspraak was gemaakt, in die zin aan appellant is te wijten dat hij onderweg naar het adres [adres] te [H.] elders een tussenstop heeft gemaakt, waardoor hij niet op het afgesproken tijdstip op het zojuist genoemde adres aankwam. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Op grond van de bevindingen van het huisbezoek van 8 oktober 2004, die in feitelijk opzicht door appellant niet zijn betwist, acht de Raad het voorts niet aannemelijk dat appellant woonde in een kamer op het door hem opgegeven adres. Bij die gelegenheid bleek immers dat sprake was van een kale (niet gestoffeerde), ongemeubileerde en onverwarmde zolderruimte. De schaarse in die ruimte aangetroffen spullen duidden niet op bewoning. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat die situatie ten tijde van de (behandeling van) de eerste aanvraag niet wezenlijk anders was. In dit verband is verder van belang dat appellant ter gelegenheid van een gesprek met de sociale dienst over de eerste aanvraag moeite had met het beschrijven van zijn woonruimte en dat hij bij het huisbezoek op 8 oktober 2004 niet bleek te beschikken over een sleutel van de woning. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat appellant heeft aangegeven veelvuldig bij zijn kinderen te verblijven, maar daarbij de mate waarin dat geschiedde niet duidelijk heeft gemaakt.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB, waardoor het recht op bijstand ten tijde in deze gedingen van belang niet is vast te stellen. Dit betekent dat het College de afwijzing van de eerste en de tweede

aanvraag terecht op die grond heeft gehandhaafd.

Aan het voorgaande doet niet af dat aan appellant tot 1 juni 2004 bijstand is verleend en dat het College er daarbij vanuit is gegaan dat appellant woonde op het adres [adres] te [H.]. De thans in geding zijnde aanvragen dienden immers te worden beoordeeld aan de hand van de toen actuele situatie.

Appellant heeft nog aangevoerd dat hem naar aanleiding van zijn aanvraag van 19 oktber 2004 wel bijstand is toegekend, terwijl er zijns inziens geen sprake is geweest van een relevante wijziging in zijn woonomstandigheden sedert de afwijzing van de tweede aanvraag. Uit de gedingstukken blijkt evenwel dat naar aanleiding van deze nieuwe aanvraag van appellant vanwege het gemeentebestuur van Heerlen wederom een huisbezoek bij appellant is afgelegd, waarbij is geconstateerd dat inmiddels sprake was van een zodanig ingerichte woonruimte aan het eerdergenoemde adres, dat wel aannemelijk was dat appellant daar zijn woonplaats had.

Gelet op het voorgaande slagen de hoger beroepen niet. De aangevallen uitspraken komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte in geen van beide zaken aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) L. Jörg.