Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
04/4761 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vergoeding fiscale schade. Schadebeperkingsplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2006-10-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 375

Uitspraak

04/4761 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 augustus 2004, nr. 03/2060 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2005. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2005. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is opnieuw gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband hiermee heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv vragen gesteld. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord, waarop appellant heeft gereageerd.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend verdere behandeling ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 11 maart 1998 heeft het Uwv de aan appellant in mei 1997 uitbetaalde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), ten bedrage van f. 28.808,91 (€ 13.072,91) bruto inclusief overhevelingstoeslag, teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling. Volgens het Uwv is dit bedrag abusievelijk tweemaal aan appellant betaald. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt en heeft het onverschuldigd betaalde bedrag in 1998 terugbetaald aan het Uwv.

1.2. Bij brief van 13 februari 2003 heeft appellant zich tot het Uwv gewend met het verzoek de uit de terugvordering voortvloeiende fiscale schade te vergoeden. Appellant heeft over de in mei 1997 onverschuldigd betaalde uitkering 60% aan inkomstenbelasting betaald. In zijn belastingaangifte over 1998 heeft hij weliswaar de terugbetaling van de ten onrechte ontvangen uitkering als negatief inkomen opgegeven, doch de belastingteruggave over dat bedrag was gebaseerd op een tarief van 50%. Appellant heeft hierdoor schade geleden welke door hem is begroot op een bedrag van in totaal € 730,30.

1.3. Bij besluit van 11 maart 2003 heeft het Uwv dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens het Uwv is geen sprake geweest van onrechtmatig handelen en had appellant de schade kunnen beperken door het in mei 1997 betaalde bedrag, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het onverschuldigd was betaald, per omgaande aan het Uwv te restitueren.

1.4. Bij besluit van 5 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 maart 2003 ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij voorop gesteld dat de bestuursrechter bevoegd is om te oordelen over de handhaving van de weigering van het Uwv om aan appellant fiscale schade te vergoeden, aangezien die schade is ontstaan als gevolg van het terugvorderingsbesluit van 11 maart 1998 en dat besluit een besluit betreft in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen na voorafgaand bezwaar, beroep bij de bestuursrechter openstond.

1.6. Naar het oordeel van de rechtbank is de schade die appellant stelt te hebben geleden toegebracht doordat het Uwv aan appellant eerst in mei 1997 een bedrag heeft betaald waarop appellant geen recht had en vervolgens tot maart 1998 heeft gewacht met terugvorderen. Het feit dat de onjuistheid van de betaling niet bij de steekproefsgewijze controle in 1997 naar voren is gekomen komt voor risico van het Uwv. In beginsel legt dit dan ook op het Uwv de verplichting om schade die door dit nalaten is veroorzaakt aan appellant te vergoeden.

1.7. De rechtbank heeft echter tevens gewezen op vaste jurisprudentie ingevolge welke van een betrokkene mag worden verwacht binnen het redelijke alles te doen om de schade zoveel mogelijk te beperken. Volgens de rechtbank had appellant de fiscale schade geheel kunnen voorkómen indien hij naar aanleiding van de bijschrijving in mei 1997 alert had gereageerd door onmiddellijk met het Uwv schriftelijk of telefonisch contact op te nemen om opheldering te vragen over deze bijschrijving. Naar het oordeel van de rechtbank mocht dit ook van appellant worden verwacht en heeft hij dit ten onrechte niet gedaan. Pas nadat het Uwv in 1998 tot terugvordering is overgegaan heeft appellant gereageerd door daarna het ten onrechte betaalde bedrag terug te storten. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat appellant de bijschrijving in mei 1997 is ontgaan en niet eerder had kunnen reageren dan na maart 1998.

1.8. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden voorzover daarbij is geoordeeld dat hij de door hem geleden fiscale schade had kunnen voorkomen.

1.9. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De Raad stelt vast dat in hoger beroep slechts in geschil is of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant de fiscale schade had kunnen voorkomen.

2.2. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen in de aangevallen uitspraak. Ook de Raad is tot het oordeel gekomen dat appellant de door hem gestelde fiscale schade geheel had kunnen voorkomen indien hij naar aanleiding van de bijschrijving in mei 1997 alert had gereageerd en het bedrag, waarvan het hem zonder meer duidelijk heeft moeten zijn dat dit onverschuldigd aan hem was betaald, voor het einde van dat jaar aan het Uwv had gerestitueerd.

3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb, inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, en H. Bolt en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.