Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
05/5668 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Beëindiging WW-uitkering met het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden verrichtte uit hoofde waarvan zij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16, geldigheid: 2006-10-11
Werkloosheidswet 16, geldigheid: 2006-10-11
Werkloosheidswet 20, geldigheid: 2006-10-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/354
RSV 2007, 10

Uitspraak

05/5668 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 augustus 2005, 04-2106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Betrokkene is vanaf 1 november 2002 tot 1 januari 2004 op basis van twee opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werkzaam geweest met een deeltijdfactor van 80% (36 uur per week) als chef de clinique interne geneeskunde bij de [naam Stichting] te [vestigingsplaats]. Met ingang van 1 januari 2004 is de arbeidsovereenkomst verlengd tot en met 31 januari 2004 voor een deeltijdfactor van 60% (27 uur per week). Bij besluit van 27 januari 2004 is aan betrokkene met ingang van 2 januari 2004 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend op basis van een verlies van 9 arbeidsuren per week. Met ingang van 1 februari 2004 is betrokkene op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden als chef de clinique interne geneeskunde bij de [werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever) met een deeltijdfactor van 60 % en een arbeidsverdeling van drie dagen van 9 uur. De aan betrokkene per 2 januari 2004 toegekende WW-uitkering is op dezelfde voet voortgezet.

2.2. Op de werkbriefjes over de periode van 22 maart 2004 tot en met 13 juni 2004 heeft betrokkene vermeld dat zij gedurende deze periode op de betreffende drie dagen geen 9, maar 10 uur heeft gewerkt. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij besluit van 5 augustus 2004 de uitkering over de genoemde periode herzien en bij besluit van

6 augustus besloten de teveel betaalde uitkering ten bedrage van € 614,40 wegens onverschuldigde betaling terug te vorderen. Beslissende op de tegen beide besluiten gemaakte bezwaren, heeft appellant bij het bestreden besluit van

12 november 2004 de herziening en terugvordering gehandhaafd, waarbij is vermeld dat het recht op uitkering is geëindigd met het aantal uren dat betrokkene werkzaamheden verrichtte uit hoofde waarvan zij niet als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd. Daarbij heeft appellant kennelijke toepassing gegeven aan artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, ingevolge welke bepaling het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van deze wet behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voorzover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant ten onrechte de door betrokkene op haar werkbriefjes vermelde uren in mindering heeft gebracht op het aantal uren waarover aan betrokkene WW is toegekend. De rechtbank achtte daartoe doorslaggevend dat betrokkene als chef de clinique doorlopend, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2004 gedurende drie dagen per week met een deeltijdfactor van 60% heeft gewerkt. Anders dan appellant was de rechtbank van oordeel dat in een dergelijk dienstverband niet zozeer het precieze aantal uren, maar het aantal werkdagen doorslaggevend is bij de beoordeling van het arbeidsurenverlies omdat een uitloop van de dagelijkse arbeidstijd met één uur per dag inherent is aan een dergelijke functie met het bijbehorende salaris en de daaraan verbonden verantwoordelijkheden.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat op grond van de geldende regelgeving de werkzaamheden van verzekerden in uren dienen te worden vastgesteld en niet in dagen. Of een verzekerde wel of niet wordt betaald voor het verrichte overwerk is daarbij volgens appellant niet van belang omdat er in casu sprake is van werkzaamheden die in het kader van het economisch verkeer worden verricht.

4.2. Betrokkene handhaaft haar standpunt dat de uitloop van de formele arbeidstijd in de in geding zijnde periode niet anders was dan in de periode vanaf 2 januari 2004. De opgave van 10 uur per dag heeft volgens haar niet geleid tot een wijziging van het arbeidsurenverlies en is evenmin van invloed geweest op haar beschikbaarheid voor arbeid voor het aantal uren dat zij heeft verloren.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel over de maatstaf voor de berekening van de omvang van de resterende werkloosheid met ingang van 22 maart 2004.

5.2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. Volgens het tweede lid wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW eindigt dit recht voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Volgens het vierde lid van artikel 20 van de WW eindigt het recht op grond van het eerste lid, onderdeel b, gedeeltelijk indien de werknemer al dan niet opeenvolgend ten minste vijf of de helft van zijn arbeidsuren arbeid als werknemer verricht en nog een verlies aan arbeidsuren resteert van ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in

artikel 16.

5.2.2. Gezien dit samenstel van bepalingen kan de Raad niet het oordeel van de rechtbank onderschrijven dat in het geval van betrokkene bij de beoordeling van het arbeidsuren-verlies per kalenderweek niet zozeer het precieze aantal uren maar het aantal werkdagen doorslaggevend is. Voor de beoordeling van de omvang van de werkloosheid is doorslaggevend het resultaat van een vergelijking tussen het gemiddeld aantal arbeidsuren waarin de betrokkene per kalenderweek verzekerde arbeid verrichtte voor het intreden van het arbeidsurenverlies en het aantal arbeidsuren waarin betrokkene per kalenderweek nadien al of niet verzekerde arbeid verricht.

5.3. Hetgeen in 5.2. is overwogen leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Blijkens het aanvullend verweerschrift in eerste aanleg handhaaft appellant niet langer het standpunt dat betrokkene voor de drie extra uren die zij heeft gewerkt de hoedanigheid van werknemer als bedoeld in artikel 20, aanhef en onder a, van de WW heeft verloren. Thans beschouwt appellant klaarblijkelijk betrokkene als werknemer. Afgezet tegen het gemiddeld aantal arbeidsuren dat betrokkene verrichtte onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies aan arbeidsuren van 36 resteert met ingang van 22 maart 2004 nog een recht in een omvang van 6 uur per week. De Raad acht dit nadere standpunt juist. Het bestreden besluit berust dan ook niet op een juiste wettelijke grondslag. In zoverre is het terecht niet in stand gelaten door de rechtbank.

5.4. De aangevallen uitspraak komt onder verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke zijn begroot op € 322,-- als kosten voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant opnieuw op het bezwaar van betrokkene dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in ’s Raads uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.