Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9935

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
05/7268 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/7268 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 november 2005, 05/453 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.P.M.A. Willems, medewerker van ARAG-Nederland te Roermond, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.H. Nuyens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen

mr. Willems voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Betrokkene is met ingang van 21 juni 2004 op basis van een uitzendovereenkomst fase A met uitzendbeding door

Start Uitzendbureau B.V. (hierna: de werkgever) tewerkgesteld bij [inlener] (hierna: de inlener) te [vestigingsplaats]. In de uitzendovereenkomst is 25 oktober 2004 genoemd als vermoedelijke einddatum van de werkzaamheden. Kort voor deze datum heeft de werkgever betrokkene naar zijn zeggen medegedeeld dat de tewerkstelling voor een periode van ongeveer

3 maanden zou worden verlengd. Op 3 november 2004 is betrokkene op staande voet ontslagen door de inlener.

2.2. Bij besluit van 15 november 2004 heeft appellant de door betrokkene gevraagde uitkering ingevolge de WW met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de WW blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW omdat hij een visitatie heeft geweigerd en een beveiligingsbeambte heeft bedreigd. Het hiertegen door betrokkene gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank onderschreef het standpunt van appellant dat betrokkene de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden niet was nagekomen. De rechtbank achtte het bestreden besluit echter onzorgvuldig voorbereid omdat appellant in het kader van de toepassing van artikel 27, eerste lid, van de WW onvoldoende had onderzocht of betrokkene het niet nakomen van bovengenoemde verplichting in overwegende mate kon worden verweten door geen onderzoek te doen naar de duur van de uitzendopdracht. Daarbij ging de rechtbank ervan uit, dat de einddatum van die opdracht van belang is voor de op te leggen maatregel omdat hij ingevolge het door appellant gevoerde beleid aanleiding kan zijn tot een matiging van de maatregel wegens verminderde verwijtbaarheid.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden voor zover daarin verband is gelegd tussen eventuele verminderde verwijtbaarheid en de nog resterende duur van het dienstverband. De resterende duur van het dienstverband speelt, zo heeft appellant gesteld, alleen een rol indien het gaat om de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid dan wel van een benadelingshandeling. Slechts indien onder andere vaststaat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou zijn verlengd kan in voorkomende gevallen worden gekozen voor een maatregel uit hoofde van een benadelinghandeling in plaats van één uit hoofde van verwijtbare werkloosheid.

4.2. Betrokkene heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep en ter zitting van de Raad zijn stelling herhaald, dat het beleid van appellant erin voorziet dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid in de zin van artikel 27, eerste lid, van de WW, indien het dienstverband voorzienbaar binnen korte tijd (binnen drie maanden) niet verwijtbaar zou zijn geëindigd. Hij heeft hieraan toegevoegd dat een dergelijke situatie zich in zijn geval heeft voorgedaan, aangezien hij omstreeks de aanvankelijk voorziene einddatum van

24 oktober 2004 van de werkgever te horen heeft gekregen dat hij waarschijnlijk nog 3 maanden werkzaam kon blijven bij de inlener. Betrokkene meent voorts, dat de onzekerheid over de exacte einddatum niet ten nadele van hem behoort te strekken.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het hoger beroep is beperkt tot de aard en omvang van de maatregel en betreft de vraag of de rechtbank er terecht vanuit is gegaan dat appellant het beleid voert om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen in gevallen waarin vaststaat dat het dienstverband, indien het niet door een verwijtbaar ontslag zou zijn geëindigd, binnen drie maanden daarna op niet aan de betrokkene te verwijten gronden toch zou zijn geëindigd. De Raad is van oordeel dat hij kan daarlaten of het beleid van appellant voorziet in een verplichting tot matiging van de op te leggen maatregel op grond van verminderde verwijtbaarheid in een situatie als hier omschreven, nu naar zijn oordeel niet is gebleken dat in het geval van betrokkene van zodanige situatie sprake is. Desgevraagd heeft de inlener betrokkene over de mogelijke duur van de opdracht immers slechts medegedeeld dat niet exact aangegeven kan worden wanneer de opdracht beëindigd zou worden, maar dat het wel ging om een opdracht voor een langere periode. Deze informatie kan niet de conclusie rechtvaardigen dat het dienstverband tussen betrokkene en zijn werkgever binnen 3 maanden na 3 november 2004 zou zijn geëindigd, indien die beëindiging niet al op 3 november 2004 had plaatsgevonden.

5.2. Naar het oordeel van de Raad was nader onderzoek naar de einddatum van de uitzendopdracht niet vereist en heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.