Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
04-5608 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan betrokkene niet worden tegengeworpen dat zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de onderhavige besluiten? Hoogte vastgesteld dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5608 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 augustus 2004, 03/670 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Morsink, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellante is niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die werkzaam was als schoonmaakster via een uitzendbureau voor 12,7 uur per week, is arbeidsongeschikt geworden op 31 januari 2000 wegens psychische klachten en heeft ingaande 29 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 25 april 2001 is zij in dienst getreden van een schoonmaakbedrijf voor 38 uur per week, wat zij niet aan het Uwv heeft gemeld. Op 2 januari 2002 is zij in die dienstbetrekking als gevolg van een ongeval arbeidsongeschikt geworden en heeft daarvoor ziekengeld ontvangen.

Op 13 juni 2002 heeft de arbeidsdeskundige op basis van inmiddels door hem verkregen informatie geoordeeld dat op de verdiensten van appellante en het daarna verkregen ziekengeld artikel 44 van de WAO dient te worden toegepast, in die zin dat vanaf mei 2001 de betaling van de WAO-uitkering op nihil wordt gesteld.

Dit heeft geleid tot een tweetal besluiten. In het eerste besluit, van 30 juli 2002, heeft het Uwv beslist om met toepassing van artikel 44 van de WAO van 1 mei 2001 tot 1 januari 2002 de WAO-uitkering wegens genoten inkomsten niet uit te betalen. In het tweede besluit, van 16 januari 2003, heeft het Uwv beslist om deze niet-uitbetaling na 1 januari 2002 voort te zetten omdat ook ziekengeld als inkomen uit arbeid wordt gezien. Tegen deze beide besluiten is appellante niet in rechte opgekomen.

Bij besluit van 17 februari 2003, dat na gemaakt bezwaar in stand is gelaten bij het besluit van 19 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de toepassing van artikel 44 per 1 januari 2003 beëindigd wegens het einde van het ziekengeld en is de betaling van de WAO-uitkering hervat. Het (vervolg)dagloon is daarbij gesteld op € 23,65, onder overweging dat voor verhoging van het dagloon op grond van artikel 40 van de WAO geen aanleiding bestaat.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd, samengevat, dat na beëindiging van het ziekengeld haar WAO-uitkering had moeten worden gebaseerd op haar verdiensten voorafgaand aan de ziekmelding op 2 januari 2002. Zij heeft in dat verband betoogd dat deze WAO-uitkering € 332,- bedraagt, terwijl zij voorheen aan ziekengeld tussen de € 600,- en € 700,- ontving.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat van de rechtmatigheid van de besluiten inzake artikel 44 van de WAO dient te worden uitgegaan, nu appellante daartegen niet in rechte is opgekomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat ingaande 1 januari 2003 niet langer werd voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO, dat het Uwv derhalve gehouden was de WAO-uitkering van appellante per die datum weer tot uitbetaling te laten komen en dat voor toepassing van artikel 40 van de WAO, betreffende de verhoging van het dagloon, geen aanleiding bestond omdat niet werd voldaan aan de voorwaarde dat er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar niet mag worden tegengeworpen dat zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de besluiten inzake artikel 44 van de WAO en heeft zij opnieuw betoogd dat onjuist is het dagloon niet te baseren op haar verdiensten voorafgaand aan de ziekmelding per 2 januari 2002.

De Raad heeft geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Wat appellante in wezen wil is dat haar uitval op 2 januari 2002 na haar werkhervatting bij een andere werkgever wordt beschouwd als een nieuw arbeidsongeschiktheidsgeval, met als consequentie een hoger dagloon voor de WAO-uitkering aan het einde van de wachttijd. Appellante was echter voorafgaand aan de werkhervatting voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt en er dient vanuit te worden gegaan dat zij dat gedurende de verrichte arbeid is gebleven, nu deze arbeid niet heeft geleid tot herziening van de uitkering, maar tot toepassing van artikel 44 van de WAO en appellante de besluiten waarin deze toepassing was vervat niet in rechte heeft aangevochten. Voor het standpunt dat aan appellante de onaantastbaarheid van de besluiten niet zou mogen worden tegengeworpen ziet de Raad geen grond. Evenmin ziet de Raad grond voor de toepassing van artikel 40 van de WAO nu, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dit artikel voor een hogere dagloonvaststelling eist dat de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, hetgeen in casu niet het geval was.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende :

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.

(Get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.