Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9827

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
03-5805 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen. Geschiktheid voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5805 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 oktober 2003, 02/1193 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Burger, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft aanleiding gezien psychiater G.T. Gerssen als deskundige te benoemen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juli 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. M.J. Vaessen, kantoorgenoot van mr. Burger. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.H. Nuyens.

II. OVERWEGINGEN

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden vermeld in de aangevallen uitspraak.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek naar zijn beperkingen onzorgvuldig is verricht, dat de conclusies van de verzekeringsarts niet overeenkomen met de bevindingen van appellants behandelaars, dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat hij op de in geding zijnde datum niet in staat was de geduide functies te verrichten.

De Raad heeft aanleiding gezien psychiater Gerssen, voornoemd, als onafhankelijke medische deskundige te benoemen. Hij heeft in zijn rapport van 6 maart 2006 aangegeven dat er op de in geding zijnde datum van 5 maart 2001 sprake was van een aanpassingsstoornis met angst en van een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Gerssens kan zich evenwel verenigen met de beperkingen zoals de verzekeringsarts die heeft vastgesteld. Tevens acht hij appellant in staat de geduide functies te verrichten.

In 's Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.

De Raad is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Gerssen kennis genomen heeft van de stukken in het dossier waaronder de rapporten van klinisch psycholoog drs. P. Broek en psychiater N.D. Schiemanck. Het rapport van de deskundige is zorgvuldig en consistent en is naar behoren gemotiveerd.

In de brief van appellant van 29 juni 2006 vindt de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen. Dat de door de Raad ingeschakelde deskundige niet de opvatting deelt van de klinisch psycholoog Broek en de psychiater Schiemanck is hiervoor onvoldoende. Het door appellant in de brief van 29 juni 2006 ingenomen standpunt miskent dat door de Raad nu juist een deskundige is ingeschakeld omdat omtrent de gezondheidssituatie van appellant verschillende opvattingen bestonden.

Voldoende aannemelijk is dat appellant op de in geding zijnde datum in staat was de hem voorgehouden functies te vervullen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het verzoek van appellant tot het benoemen van een andere deskundige, dan wel Gerssens opnieuw te bevragen, in te willigen.

De Raad volgt het oordeel van Gerssens en voegt daaraan toe dat het Uwv voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen heeft geduid om de schatting op te baseren en dat die functies ook voor het overige passend en geschikt voor appellant zijn te achten.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) J. Brand.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.