Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
04-6425 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd het tijdelijk dienstverband van betrokkene voort te zetten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6425 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 oktober 2004, nr. SBR 04/1118, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Halferkamps, advocaat te Apeldoorn.

I. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde heeft appellant met ingang van 19 november 2001 voor bepaalde tijd tot en met 18 november 2002 op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (verder: het ARAR) in verband met een lopende reorganisatie aangesteld als Technisch InfraStructuur Beheerder bij het automatiseringscentrum van de belastingdienst in Utrecht.

1.2. Bij besluit van 5 april 2002 heeft gedaagde het tijdelijk dienstverband met appellant met ingang van 15 mei 2002 tussentijds beëindigd wegens ongeschiktheid voor de functie en aan appellant ontslag verleend. Dit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2002.

1.3. Bij uitspraak van 13 november 2003 heeft de rechtbank Utrecht het beroep gegrond verklaard, het besluit van

11 september 2002 vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Bij besluit van 15 januari 2004 heeft gedaagde ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank de bezwaren van appellant alsnog gegrond verklaard en daarbij vastgesteld dat de aanstelling van appellant geacht wordt te hebben voortgeduurd van 15 mei 2002 tot en met 18 november 2002. Voorts heeft gedaagde - onder meer - bepaald dat de bezoldiging over deze periode vermeerderd met de daarover verschuldigde rente alsnog zal worden uitbetaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift, voorzover dat betrekking heeft op de in het besluit van 15 januari 2004 begrepen impliciete weigering het dienstverband van appellant per 19 november 2002 te verlengen, aan gedaagde ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden. Daarbij heeft de rechtbank - onder meer - overwogen dat het procesbelang ontbreekt nu gedaagde volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van appellant tegen het tussentijds ontslag.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat hij voldoende procesbelang heeft, zodat zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Gedaagde heeft geen overwerk-, compensatie-, verlof- en vakantie-uren uitbetaald. Evenmin heeft gedaagde de aanspraken van appellant op de tegemoetkoming ziektekosten en het spaarloon gehonoreerd. Ook heeft gedaagde nagelaten een vergoeding voor studiekosten en promotie toe te kennen. Tenslotte is appellant van mening dat het dienstverband per 19 november 2002 verlengd had dienen te worden.

3.2. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat aan appellant volledig tegemoet is gekomen. Indien appellant van mening was dat sprake was van een onjuiste nabetaling, had hij tegen de salarisspecificatie van de nabetaling bezwaar kunnen maken. Voorts bestond er voor gedaagde geen verplichting het dienstverband per 19 november 2002 te verlengen of om te zetten in een vast dienstverband.

4. Allereerst stelt de Raad vast dat de rechtbank het beroep, voorzover gericht tegen de impliciete weigering het dienstverband van appellant per 19 november 2002 te verlengen, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het besluit van

15 januari 2004, voorzover daarbij het tijdelijk dienstverband per 19 november 2002 niet wordt verlengd dan wel omgezet in een vast dienstverband, heeft een andere grondslag en reikwijdte dan het besluit van 5 april 2002 tot tussentijdse beëindiging van het dienstverband wegens ongeschiktheid. De weigering het tijdelijk dienstverband van appellant voort te zetten moet worden gezien in het licht van de lopende reorganisatie, die reden was voor de tijdelijkheid van de aanstelling. Daarmee is sprake van een ander feitencomplex. Het besluit van 15 januari 2004, voorzover daarbij het tijdelijk dienstverband niet wordt voortgezet, is dan ook als een primair besluit aan te merken. Hieruit volgt dat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep in zoverre terecht als bezwaar heeft doorgezonden aan gedaagde.

5.1. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant geen voldoende concreet (proces)belang had bij een oordeel over het beroep, voorzover gericht tegen de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het tussentijds ontslag. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

5.2. Zoals ook door gedaagde ter zitting is erkend heeft appellant op en na 15 mei 2002 aanspraak op een tegemoetkoming ziektekosten op grond van het Besluit tegemoet-koming ziektekosten rijkspersoneel, welke evenwel door gedaagde bij het besluit van 15 januari 2004 niet is gehonoreerd. Evenmin is tussen partijen in geding dat appellant per 15 mei 2002 aanspraak heeft op spaarloon, welke ook niet op de juiste wijze is verwerkt. Naar het oordeel van de Raad had appellant hiermee een voldoende concreet (proces)belang in beroep.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 15 januari 2004 niet-ontvankelijk is verklaard op de grond van het ontbreken van een procesbelang, dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf een inhoudelijk oordeel geven, nu de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

6.1. De grieven van appellant inzake de nabetaling betreffen in de eerste plaats overwerk-, compensatie-, verlof- en vakantie-uren. Appellant heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat een en ander ziet op de periode van 19 november 2001 tot 15 mei 2002. Bij besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde bepaald dat de in de periode van 19 november 2001 tot

15 mei 2002 niet opgenomen verlof-uren en compensatie-uren, totaal 144 uren, aan appellant worden uitbetaald. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. Gelet hierop vallen de grieven van appellant inzake de nabetaling van deze uren buiten de omvang van dit geding.

6.2. Uit de gedingstukken blijkt vervolgens dat appellant geen vergoeding voor studiekosten of voor gemaakte promotie heeft aangevraagd. Nu het bestreden besluit daarop derhalve niet ziet en ook niet behoefde te zien vallen de grieven van appellant hieromtrent buiten de omvang van dit geding.

6.3. Nu vaststaat dat de aanspraak op de bezoldiging per 15 mei 2002, voorzover deze ziet op de tegemoetkoming ziektekosten en het spaarloon, ten onrechte niet is gehonoreerd, dient het beroep gegrond te worden verklaard en komt het besluit van 15 januari 2004 voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant, voorzover het de aanspraak op de bezoldiging per 15 mei 2002 betreft, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. Bij besluit van 22 februari 2005 heeft gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2004, voorzover daarbij geweigerd is het tijdelijk dienstverband van appellant voort te zetten, ongegrond verklaard.

7.1. In aanmerking genomen dat appellant zich met die ongegrondverklaring niet kan verenigen overweegt de Raad dat het geding in hoger beroep zich in lijn met de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb mede uitstrekt tot dat nieuwe besluit.

7.2. Volgens vaste jurisprudentie vloeit uit de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld voort dat het bestuursorgaan niet gehouden is die aanstelling na afloop van de gestelde termijn te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling, tenzij er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, dan wel het niet verlengen in strijd zou komen met enige regel van ongeschreven recht.

7.3. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat er geen verplichting bestond voor gedaagde het dienstverband per

19 november 2002 te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Daarbij is van belang dat appellant was aangesteld op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder f, van het ARAR in verband met een lopende reorganisatie, welke aanstelling na de overeengekomen periode van rechtswege is geëindigd. De grief van appellant dat de aanstelling stilzwijgend is voortgezet, kan niet worden gevolgd. Uit de omstandigheid dat gedaagde de tijdelijke aanstelling tussentijds wenste te beëindigen, had appellant moeten afleiden dat bij gedaagde geen intentie bestond om de aanstelling te verlengen, zodat geen sprake is geweest van een stilzwijgende voortzetting.

7.4. Aan de grief dat appellant beschikte over de juiste opleiding en op eigen kosten met succes aanvullende opleidingen heeft gevolgd kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet het gewicht worden toegekend dat appellant hieraan wenst toe te kennen.

7.5. Ten slotte kan de grief van appellant dat er door gedaagde toezeggingen omtrent de verlenging van zijn aanstelling zouden zijn gedaan, niet slagen. Niet gebleken is van door het bevoegde bestuursorgaan ten aanzien van appellant gedane uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen, die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De Raad tekent hierbij nog aan dat het plaatsingsbesluit van 6 maart 2002 geen wijziging bracht in de grondslag van de aanstelling van appellant.

7.6. Gelet op het vorenstaande dient het beroep, voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van

22 februari 2005, ongegrond te worden verklaard.

8. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 3,36 en in hoger beroep tot een bedrag van € 3,36 aan reiskosten, derhalve in totaal € 6,72.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover het beroep niet-ontvankelijk is verklaard met betrekking tot het besluit van 15 januari 2004, voorzover het de impliciete weigering het dienstverband te verlengen betreft;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover het beroep tegen het besluit van 15 januari 2004 niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van het procesbelang en geen proceskosten en griffierecht zijn toegewezen;

Vernietigt het besluit van 15 januari 2004 voorzover het de nabetaling van de bezoldiging op en na 15 mei 2002 betreft;

Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 22 februari 2005 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 6,72, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 321,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.