Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
05/7101 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Gefingeerd dienstverband. Onzorgvuldig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/7101 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2005, 05/2371 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Namens appellant is verschenen mr. Vijftigschild, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant is met ingang van 2 januari 2001 in de functie van bedrijfsleider in dienst getreden bij [naam werkgever], gevestigd te [naam vestigingsplaats] (hierna: de werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 9 maanden. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft appellant bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de WW ingediend, welke bij besluit van 11 oktober 2001 ingang van 1 oktober 2001 aan hem is toegekend.

2.2. Naar aanleiding van een fraudeonderzoek door de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst Zuid en Zuidwest te Breda (SIOD) naar de onderneming van [B. S.], handelend onder de naam [onderneming] en (na 1 januari 2001) onder de naam [naam werkgever], is onder meer gebleken dat appellant bij het Uwv was aangemeld als werknemer over de periode van

1 december 2000 tot 1 oktober 2001, terwijl hij in die periode niet dan wel slechts gedeeltelijk werkzaam is geweest voor [onderneming]/[naam werkgever] Op basis van de resultaten van dat onderzoek en van een nader, door opsporingsfunctio-narissen van het Uwv ingesteld onderzoek, waarvan deel uitmaken processen verbaal van verhoren van [K. B.] (boekhouder bij de werkgever) en van appellant, heeft het Uwv bij besluit van 23 maart 2004 besloten de aan appellant toegekende WW uitkering over de periode van 1 oktober 2001 tot 1 april 2002 in te trekken omdat hij daarop geen recht had en over te gaan tot terugvordering van een bedrag van € 7.597,48 in verband met onverschuldigde betaling. Op 26 mei 2004 is vervolgens door een opsporingsfunctionaris van het Uwv een rapport werknemersfraude opgesteld, waaruit mede op basis van gegevens uit het SIOD-onderzoek blijkt dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband, dan wel van een valse arbeidsovereenkomst tussen het schoonmaakbedrijf [onderneming]/[naam werkgever] en appellant. Bij besluit op bezwaar van 18 februari 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 23 maart 2004 ongegrond verklaard en daarbij aangegeven dat appellant niet voldoet aan de referte-eis nu hij in zijn verklaring ten overstaan van een opsporings-ambtenaar van het SIOD van 23 juni 2003 heeft aangegeven dat hij slechts twee of drie maanden voor zijn werkgever heeft gewerkt en dat met de directeur is afgesproken dat het arbeidscontract op papier zou blijven doorlopen in verband met een tweede hypotheek-aanvraag van appellant, terwijl uit de verklaringen van [B.] blijkt dat appellant nimmer voor [onderneming]/[naam werkgever] zou hebben gewerkt.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld door vast te houden aan de verklaring van appellant van 23 juni 2003, waarin hij heeft aangegeven in feite slechts twee of drie maanden te hebben gewerkt. Daarbij achtte de rechtbank het mede van belang dat [K. B.], ondanks de gewijzigde verklaring van appellant van 25 november 2003, bij zijn eerdere verklaring is gebleven dat appellant slechts enkele weken bij [onderneming]/[naam werkgever] heeft gewerkt. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat de Officier van Justitie op 14 oktober 2004 heeft besloten om appellant niet langer te vervolgen wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs niet wegneemt dat hij in dezen een eigen beoordelingsbevoegdheid heeft.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte vast blijft houden aan zijn verklaring van 23 juni 2003, nu hij in zijn verklaring van 25 november 2003 gemotiveerd heeft aangegeven waarom de inhoud van eerstgenoemde verklaring met betrekking tot het dienstverband, de omvang van de gewerkte periode en de omvang van het salaris gecorrigeerd dient te worden. Appellant acht zich in dit standpunt gesterkt door de omstandigheid dat de Officier van Justitie op 14 oktober 2004 heeft besloten om hem niet langer te vervolgen omdat voldoende wettig bewijs ontbreekt.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit, waarbij het Uwv de WW-uitkering van appellant heeft ingetrokken en het onverschuldigd betaalde bedrag heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad ontkennend.

5.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het Uwv bij zijn besluitvorming uitsluitend is afgegaan op de verklaringen van [B.], zoals die in het SIOD-onderzoek en het rapport werknemers- fraude zijn opgenomen en waarin deze eerst heeft aangegeven dat appellant nimmer voor [onderneming]/[naam werkgever] heeft gewerkt en later dat dit hooguit enkele weken zijn geweest. Appellant heeft daarentegen aanvankelijk verklaard van december 2000 tot en met september 2001 te hebben gewerkt en daarna heeft hij verklaard twee of drie maanden te hebben gewerkt. Deze verklaring heeft appellant nadien herroepen door wederom te stellen dat hij 9 maanden bij de werkgever heeft gewerkt. Ook op de in beroep overgelegde verklaring van de directeur [P. S.] staat vermeld dat appellant in de periode januari 2001 tot en met september 2001 bij de werkgever heeft gewerkt. Uit het SIOD-onderzoek, noch uit het rapport werknemersfraude blijkt of de verklaringen van [B.] en van appellant bij de directeur en/of op andere wijze zijn geverifieerd. Gelet op de tegenstrijdigheid tussen deze verklaringen en de onduidelijkheid omtrent de omvang en de periode waarin appellant mogelijk bij de werkgever heeft gewerkt, had het naar het oordeel van de Raad op de weg van het Uwv gelegen ter zake een nader onderzoek in te stellen. Daartoe bestond temeer aanleiding omdat aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [B.] kon worden getwijfeld, gezien diens bekentenis van het plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk niet, niet juist en niet volledig bijhouden van een deugdelijke administratie. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

5.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake te veroordelen in de proceskosten van appellant terzake van aan hem verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op de bezwaren van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.