Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
05/5933 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk was?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5933 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Korpsbeheerder van de Politieregio [naam regio], te Tilburg (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 augustus 2005, 05/1156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[naam belanghebbende] (belanghebbende) is in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding en heeft daarop niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Namens appellant is verschenen

mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de Sectie Juridische Zaken van de Politieregio [naam regio]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat -evenals in zijn uitspraak van 2 maart 2005 (04/2079 WW)- uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is er een einde gekomen aan het dienstverband tussen belanghebbende en appellant. Belanghebbende heeft op 26 juni 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van

22 augustus 2002 heeft het Uwv aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet voor deze uitkering in aanmerking wordt gebracht omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. De door belanghebbende tegen dit besluit ingestelde bezwaren zijn door het Uwv met het besluit van 16 januari 2003 in zoverre gegrond verklaard dat aan belanghebbende, in plaats van een blijvend gehele weigering van de uitkering, in verband met verminderde verwijt-baarheid een maatregel inhoudend een verlaging van het uitkeringspercentage van 70 naar 35 gedurende 26 weken wordt opgelegd.

1.2. Appellant heeft bij schrijven van 1 april 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 16 januari 2003.

2. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daarvoor in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgelegde termijn van zes weken.

De rechtbank heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten.

3. In hoger beroep heeft appellant -samengevat- aangevoerd dat de termijn voor het instellen van beroep tegen het bestreden besluit van 16 januari 2003 nooit een aanvang heeft genomen, omdat dat besluit niet op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze aan hem is bekendgemaakt.

Van termijnoverschrijding is naar zijn mening dan ook geen sprake. Appellant meent dat zijn beroep op grond van

artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb ontvankelijk is. Subsidiair heeft hij gesteld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat hij na kennisneming van het bestreden besluit zo spoedig als rederlijkerwijs mogelijk beroep heeft ingesteld. Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij binnen de termijn van 6 weken beroep had kunnen instellen tegen het bestreden besluit, omdat van hem mocht worden verwacht dat hij het pakket stukken waartussen dat besluit zich bevond en dat de rechtbank hem bij brief van 11 februari 2003 had toegezonden, direct na ontvangst had bekeken. Dat bedoeld pakket stukken een andere procedure betrof achtte de rechtbank ten onrechte niet van belang.

4. In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft vastgesteld dat het beroep dat appellant bij brief van 1 april 2003 heeft ingesteld tegen het bestreden besluit van 16 januari 2003 niet-ontvankelijk is wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

4.1. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.

4.2. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Het bestreden besluit is gedateerd op 16 januari 2003 en aan de belanghebbende, tot wie het is gericht, verzonden op dezelfde datum. De beroepstermijn van zes weken is derhalve aangevangen op 17 januari 2003. Of het bestreden besluit ook aan appellant bekend is gemaakt doet hieraan niet af. Met het indienen van een op 1 april 2003 gedagtekend beroepschrift heeft appellant die termijn overschreden.

4.3. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is niet voldoende vast komen te staan dat het Uwv, zoals door hem gesteld, het besluit van 16 januari 2003 bij aanbiedingsbrief van 17 januari 2003 aan appellant heeft toegezonden, zodat relevant is de toezending van dat besluit aan appellant door de rechtbank bij brief van 11 februari 2003 als onderdeel van een pakket stukken in een ander geding tussen belanghebbende en het Uwv.

4.5. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het een te vergaande eis is om van appellant te verlangen dat hij door de rechtbank in een procedure toegezonden stukken onmiddellijk doorzoekt op de mogelijke aanwezigheid van een besluit in een andere procedure waartegen nog beroep open staat. Appellant heeft aangevoerd dat hij eerst bij inhoudelijke bestudering van die stukken eind maart 2003 heeft onderkend dat het Uwv inmiddels het bestreden besluit van 16 januari 2003 had genomen. Appellant heeft daarop bij brief van 1 april 2003, bij de rechtbank ontvangen op 3 april 2003, beroep ingesteld. Nu daarmee is gehandeld zo spoedig mogelijk nadat appellant van het bestreden besluit heeft kennisgenomen, is naar het oordeel van de Raad sprake van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

4.6. Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk was, zodat die uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad ziet voorts, nu de rechtbank niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank ter verdere behandeling.

5. De Raad heeft uit de gedingstukken afgeleid dat -ten onrechte- in dit hoger beroep van appellant geen griffierecht is geheven. Dientengevolge ziet de Raad in het onderhavige geval geen aanleiding om te bepalen dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Breda.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.H. Peper.