Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-4198 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2005:AT9353, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding, zorgplicht.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 54, geldigheid: 2006-09-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4198 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

M.F. Hodek, wonende te Volendam, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 mei 2005, 04/889 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord-Holland Noord (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koelewijn. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.L.J. van der Peet, werkzaam bij de politieregio Noord-Holland Noord.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1990 werkzaam als docent vuurwapeninstructie, sinds 1 april 1994 bij de politieregio Noord-Holland Noord en later als docent Integrale Beroepsvaardigheid Training (IBT) met als specialisme vuurwapeninstructie.

1.2. In de nacht van 1 januari 2001 is appellant na een familiebezoek bij terugkeer in zijn woonplaats Volendam, dat gelegen is in politieregio Zaanstreek-Waterland, geconfronteerd met de gevolgen van de brand in café ’t Hemeltje. Appellant heeft vervolgens hulp verleend aan slachtoffers van de brand. Onder deze slachtoffers bevonden zich bekenden van appellant.

1.3. Op 2 januari 2001 heeft appellant zich wegens psychische klachten ziekgemeld. Uiteindelijk is bij appellant onder meer een post traumatische stress stoornis vastgesteld. Bij brief van de korpschef van 26 april 2002 is appellants ziekte aangemerkt als beroepsziekte en is hem meegedeeld dat overeenkomstig artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging aan hem worden vergoed. Vervolgens is appellant met ingang van 1 mei 2003 ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

1.4. Bij brief van 18 juni 2003 is de korpsbeheerder namens appellant aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, als gevolg van zijn hulpverlening bij de ramp op 1 januari 2001. Bij besluit van 7 juli 2003 heeft de korpsbeheerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen en heeft hij het verzoek tot vergoeding van de schade afgewezen. Volgens de korpsbeheerder is geen sprake geweest van schending van de op hem als werkgever rustende zorgplicht.

Het besluit van 7 juli 2003 is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 april 2004. Bij dat besluit is tevens het in aanvullend bezwaarschrift gedane verzoek om toekenning van smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het standpunt van de korpsbeheerder verworpen dat appellant op 1 januari 2001 niet handelde in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, maar is van oordeel dat de korpsbeheerder niet tekort is geschoten in het nakomen van zijn zorgplicht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en gelet op de in dit geding overigens voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat het bestreden besluit niet alleen een ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 juli 2003 inhoudt. Bij het besluit van 6 april 2004 is immers tevens, zoals hiervoor onder 1.4. weergegeven, het verzoek om toekenning van smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp voor het eerst afgewezen. Aldus is in zoverre sprake van een primair besluit waartegen niet direct beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld, maar waarop artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In dit artikel is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, eerst tegen dat besluit bezwaar dient te maken, behoudens in een aantal uitzonderingsgevallen. Geen van deze in de Awb bepaalde uitzonderingen doet zich naar het oordeel van de Raad hier voor.

3.2. Dit betekent dat de rechtbank het beroep op dit punt niet-ontvankelijk had moeten verklaren en met toepassing van het eerste lid van artikel 6:15 van de Awb had moeten doorsturen naar de korpsbeheerder ter behandeling als bezwaarschrift. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad tot deze niet-ontvankelijkverklaring overgaan. De Raad gaat er voorts vanuit dat de korpsbeheerder het hem indertijd door de rechtbank toegezonden beroepschrift van appellant op voormeld onderdeel alsnog als bezwaarschrift in behandeling zal nemen.

3.3. Het besluit van 6 april 2004 omvat tevens de handhaving van de weigering van de korpsbeheerder om naast de op grond van rechtspositionele voorschriften aan appellant verstrekte en te verstrekken voorzieningen, tot verdere vergoeding van schade over te gaan. Dit besluit betreft derhalve een zogenoemd zuiver schadebesluit dat betrekking heeft op schade die appellant stelt te hebben geleden en eventueel nog zal lijden in de uitoefening van zijn ambtelijke dienstbetrekking.

3.4. De Raad verwijst voor de hier aan te leggen toetsingsmaatstaf naar zijn uitspraak van 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

3.5. De Raad wijst erop dat het aanmerken als beroepsziekte in de zin van artikel 54 van het Barp nog niet betekent dat op grond van de algemene aansprakelijkheidsnorm als bedoeld in 3.4. ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die de gelaedeerde als gevolg van zijn ziekte heeft geleden of wellicht zal lijden. Beide genoemde grondslagen voor schadevergoeding kunnen naast elkaar bestaan en vergen gezien de verschillen tussen beide normen een afzonderlijke toetsing.

3.6. Nu de korpsbeheerder blijkens het besluit van 26 april 2002 heeft aanvaard dat de door appellant verleende hulpwerkzaamheden zijn verricht in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zoals ook door de rechtbank is vastgesteld, spitst het geschil in hoger beroep zich toe op de vraag of de korpsbeheerder in zijn zorgverplichting jegens appellant als onder 3.4. vermeld te kort is geschoten.

3.6.1. Appellant is van oordeel dat dat het geval is. Appellant betoogt dat, nu hij gezien zijn executieve status is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en hij gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Politiewet en artikel 59 van het Barp als ambtenaar van politie buiten zijn gebied van aanstelling en buiten diensttijd bevoegd is op te treden, de korpsbeheerder hem anticiperende instructies had moeten verstrekken op welke wijze bij een ramp gehandeld moet worden en hem moeten bijscholen ten behoeve van het verrichten van algemene politietaken.

3.7. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

3.7.1. Appellant is zeer geruime tijd werkzaam geweest als vuurwapendocent. Voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellant in die periode in opdracht van de korpsbeheerder politietaken, zoals handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp, heeft verricht. Gezien de beschrijvingen van zijn functie van docent vuurwapeninstructie en docent IBT behoorde de hulpverlening door appellant op 1 januari 2001 ook niet tot de taken van zijn specifieke functie en lag die hulpverlening ook niet direct in het verlengde daarvan. Nu de korpsbeheerder ingeval van een grootschalig optreden van de politie bij een ramp als de onderhavige dient te bepalen welke ambtenaar van politie het meest geschikt is en dus de opdracht krijgt om hulp te gaan verlenen, volgt de Raad de korpsbeheerder in zijn standpunt dat aan appellant zeker niet een dergelijke opdracht zou worden gegeven. Naar het oordeel van de Raad kan in een geval als het onderhavige redelijkerwijs niet van de korpsbeheerder worden gevergd appellant niettemin door middel van scholing of het geven van bepaalde instructies voor te bereiden op hulpverlening bij rampen en in het bijzonder op een zeer uitzonderlijke situatie, zoals die zich in de nacht van 1 januari 2001 in Volendam heeft voorgedaan.

4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voldoende is aangetoond dat de korpsbeheerder zijn zorgplicht als werkgever niet heeft geschonden, zodat het bestreden besluit van 6 april 2004 in rechte stand houdt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 14,96 aan reiskosten en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 644,-, aan kosten van rechtsbijstand en € 14,96 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij nagelaten is het beroep van appellant ter zake van de toepassing van artikel 54a van het Barp niet-ontvankelijk te verklaren;

Verklaart het beroep in zoverre niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.317,92, te betalen door de politieregio Noord-Holland Noord;

Bepaalt dat de politieregio Noord-Holland Noord aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

HD

25.09

Q