Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-4199 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarnemingstoelage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/8

Uitspraak

05/4199 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 mei 2005, 04/912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek, werkzaam bij ABVAKABO FNV. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W. Gouw en ing. A. Matze, beiden werkzaam bij de gemeente Middelburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam bij de afdeling Lokaal Onderwijsbeleid (LOB) van de gemeente Middelburg, heeft over de periode van 21 september 2001 tot 1 april 2002 de functie van hoofd van deze afdeling waargenomen, in verband waarmee hem een waarnemingstoelage is toegekend. Nadat de functie van hoofd afdeling LOB op 1 juli 2002 opnieuw vacant was geworden, is appellant deze functie op verzoek van de dienstdirecteur wederom gaan waarnemen.

1.2. Bij brief van 2 oktober 2003 heeft appellant verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage over de periode 1 juli 2002 tot 1 oktober 2003.

1.3. Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college aan appellant de gevraagde waarnemingstoelage toegekend over de periode 1 juli 2002 tot 1 november 2002 en over de periode na 1 november 2002 geweigerd.

1.4. Nadat door appellant nadere gegevens omtrent zijn werkzaamheden waren aangedragen, heeft het college bij besluit van 16 maart 2004 aan appellant alsnog een waarnemingstoelage toegekend voor de periode van 1 november 2002 tot 1 oktober 2003.

1.5. Nadat appellant er bij brief van 6 april 2004 van in kennis was gesteld dat het college zich opnieuw over de toekenning van 16 maart 2004 zou beraden, is appellant bij besluit van 26 april 2004 meegedeeld dat alsnog was besloten de toelage over bedoelde periode niet toe te kennen.

1.6. Het besluit van 26 april 2004 is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 november 2004.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college bij het na bezwaar gehandhaafde besluit in volle omvang het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 27 januari 2004 heeft bezien en voorts dat het college in het besluit van 16 maart 2004 geen aanleiding behoefde te zien om van het besluit van 27 januari 2004 terug te komen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Bij besluit van 26 april 2004 is immers niet geweigerd (deels) terug te komen van het besluit van 27 januari 2004, maar is het toekenningsbesluit van 16 maart 2004 ingetrokken omdat het college laatstgenoemd besluit bij nader inzien onjuist achtte. Bij de beoordeling van die intrekking dient niet de zeer terughoudende toets te worden aangelegd of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die het college tot het terugkomen van zijn eerdere beslissing noopten, maar dient de vraag te worden beantwoord of het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een eerder genomen onjuist gebleken besluit te herstellen. Nu de rechtbank dit heeft miskend, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

3.2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad eerst bezien of het besluit van 16 maart 2004 onjuist was.

3.3. Het college is van opvatting dat in de periode vanaf 1 november 2002 geen sprake is geweest van volledige waarneming door appellant van het afdelingshoofd LOB, aangezien op deze datum een hoofd van de afdeling Stedelijk Sociaal Beleid (SSB) is aangesteld, die tevens belast was met de leiding van de afdeling LOB welke afdeling per die datum is ondergebracht bij de afdeling SSB. Voorts is gesteld dat appellant vanaf 1 november 2002 geen specifiek leidinggevende taken meer heeft uitgevoerd.

3.4. De Raad stelt vast dat aan appellant is opgedragen om met ingang van 1 juli 2002 de functie van afdelingshoofd LOB waar te nemen. Niet gebleken is dat aan appellant na het aantreden van het hoofd van de nieuw te vormen afdeling SSB op enige wijze te kennen is gegeven dat de waarneming daarmee was beëindigd. De Raad heeft voorts niet kunnen vaststellen dat er met betrekking tot het takenpakket van appellant als zodanig na 1 november 2002 iets is veranderd. Uit de gedingstukken komt onmiskenbaar naar voren dat appellant ook na 1 november 2002 bleef handelen als waarnemend afdelingshoofd. Zo tekende hij als zodanig de voorstellen vanuit de afdeling LBO aan het college, blijkbaar met goedkeuring van de dienstdirecteur, nam hij deel aan het afdelingshoofdenoverleg en was hij betrokken bij de vaststelling van vakantierechten van een medewerker van de afdeling.

De omstandigheid dat appellant in de desbetreffende periode geen functionerings- of beoordelingsgesprekken met medewerkers van de afdeling heeft gevoerd kan niet ter onderbouwing van het standpunt van het college dienen, aangezien zulke gesprekken niet aan de orde waren en ook niet is gebleken dat het afdelingshoofd SSB deze taken daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

3.5. Voor het standpunt van het college dat de afdeling LOB per 1 november 2002 is opgegaan in de afdeling SSB is in de door het college ingezonden gedingstukken geen steun te vinden. Uit die stukken blijkt slechts dat het voornemen bestond om bij de op handen zijnde reorganisatie de afdeling LOB ten dele onder te brengen bij de afdeling SSB en ten dele bij de afdeling Sociale Zaken. Op een organogram naar de stand per 1 april 2003, is de afdeling LOB naast de afdeling SSB nog als een zelfstandige afdeling opgenomen. De in de door het college overgelegde discussienota’s beschreven nieuwe organisatiestructuur, waarbij de afdeling LOB werd opgeheven, is ingegaan op 1 oktober 2003. Uit deze nota’s blijkt overigens evenmin dat het hoofd SSB reeds vanaf zijn indiensttreding als afdelingshoofd belast was met de leiding van de afdeling LOB.

3.6. De Raad is derhalve van oordeel dat ook na 1 november 2002 sprake is van waarneming van het afdelingshoofd LOB door appellant. Omdat om deze reden het besluit van het college van 16 maart 2004 niet als onjuist kan worden aangemerkt, berust het besluit van 26 april 2004 op een onjuiste feitelijke grondslag en kan dit besluit, alsmede het bestreden besluit, waarbij dit besluit is gehandhaafd, reeds hierom niet in stand blijven.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg begroot op een bedrag van € 644,- aan kosten van juridische bijstand en in hoger beroep eveneens begroot op een bedrag van € 644,- aan kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 9 november 2004 gegrond en vernietigt dat besluit, alsmede het besluit van 26 april 2004;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de gemeente Middelburg;

Bepaalt dat de gemeente Middelburg aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 323,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

09.09