Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-2789 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2789 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2005, 03/6147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. Stové, werkzaam bij de Utrechtse Juristengroep. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.G.T.E. de Wit en F.S.A. el Masry-Glerum, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam bij het Afval Energie Bedrijf van de gemeente Amsterdam in de functie van werktuigkundige, ontving op grond van de Garantieregeling afronding omzetting GM+Tarief in MRF+MRI (hierna: garantieregeling) sedert september 1994 een garantietoeslag wegens indeling van zijn functie in een lagere inconveniëntenklasse, MRI-klasse 2.

1.2. In verband met de herwaardering van de functie van werktuigkundige is appellant bij besluit van 19 juni 2003 met ingang van 1 januari 2003 bevorderd van salarisschaal 6 naar salarisschaal 7. Het salaris van appellant is vastgesteld op schaal 7, periodiek 11 (het maximumsalaris in die schaal). De garantietoeslag MRI is bij deze berekening van het salaris na bevordering meegenomen en ingepast.

1.3. Na bezwaar heeft het college dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van

11 november 2003.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de garantie, die de garantietoeslag MRI beoogt te geven, enkel het salaris op het moment van toekenning van de garantietoeslag MRI betreft. De rechtbank acht het in overeenstemming met de in dit opzicht geldende regelgeving dat bij bevordering van appellant naar schaal 7 de garantie-toeslag MRI wordt ingepast in het hogere salaris.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat op grond van artikel 101, eerste lid, aanhef en onder q, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) de toekenning van een salaris van een hogere salarisgroep voor de toepassing van het ARA en de ter uitvoering gegeven verordeningen wordt aangemerkt als een bevordering. De wijze waarop bij bevordering het salaris van de ambtenaar wordt bepaald, is geregeld in het ter uitvoering van artikel 417 van het ARA vastgestelde Besluit vaststelling salaris bij bevordering (hierna: Besluit vaststelling). Voorts is in het Besluit aanwijzing overige weddebestanddelen, onderdeel g, bepaald dat de onderhavige garantietoeslag wordt aangewezen als weddebestanddeel.

3.2. De Raad overweegt dat de garantietoeslag ertoe strekt dat het bruto-inkomen van de ambtenaar bij het vervallen of verminderen van de inconveniëntentoeslag (het omzet-tingsmoment) niet lager wordt; niet wordt daarmee beoogd aan de ambtenaar een blijvende aanspraak op een toeslag te geven, ongeacht eventuele toekomstige bevorderingen met de daaraan verbonden salarisverhogingen. De Raad ziet hiervoor een bevestiging in de omstandigheid dat de garantieregeling er ook in voorziet dat, indien de functie van appellant ten tijde van de omzetting in 1994 reeds in een hogere schaal zou zijn gewaardeerd, dan wel indien appellant toen nog niet het maximumsalaris van schaal 6 zou hebben genoten, de toeslag niet, dan wel tot een lager bedrag, zou zijn toegekend. In het licht van voornoemde strekking dienen ook de bepalingen van het Besluit vaststelling te worden gelezen.

3.3. In dit licht bezien is de Raad van oordeel dat een redelijke uitleg van de artikelen 1 en 3 van het Besluit vaststelling met zich brengt dat de als weddebestanddeel aangewezen garantietoeslag van appellant bij de vaststelling van het salaris na bevordering moet worden aangemerkt als salaris. Bij de vaststelling van het naasthogere bedrag in de nieuwe salarisschaal is dan ook terecht uitgegaan van het oude salarisbedrag vermeerderd met het weddebestanddeel garantietoeslag. Nu dit bedrag niet hoger was dan het maximumsalaris in schaal 7 kon het verlenen van een nieuwe aanspraak op een nieuwe, persoonlijke toeslag als bedoeld in artikel 3 van het besluit vaststelling achterwege blijven.

3.4. Op grond hiervan concludeert de Raad dat de garantietoeslag van appellant terecht door het college in het nieuwe, hogere salaris van appellant in schaal 7 is ingebouwd. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

09.09