Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-2574 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering door toedoen van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/11

Uitspraak

05/2574 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige Kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 maart 2005, 03/2779 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de gedingstukken en verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was van 22 mei 1995 tot en met 31 december 1997 werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gedurende welke periode hij was tewerkgesteld in Mali. Met ingang van 1 januari 1998 heeft de minister hem een uitkering toegekend op grond van de Uitkeringsregeling 1966 (hierna: UKR).

Van 1 februari 1998 tot 1 februari 1999 had appellant een tijdelijke dienstverband bij de Stichting Natuur en Recreatie (hierna: SNR). Op 1 december 1998 heeft appellant zijn werkzaamheden wegens ziekte gestaakt. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) heeft appellant uit hoofde van zijn dienstverband bij de SNR van 1 december 1998 tot 30 november 1999 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Aansluitend heeft het Lisv hem bij besluit van 9 december 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 13 maart 2002 heeft de minister de UKR-uitkering van appellant per 30 november 1999 beëindigd op grond van artikel 25b, tweede lid, van de UKR, omdat appellant vanaf die datum een WAO-uitkering heeft ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Voorts heeft de minister de over de periode van november 1999 tot en met februari 2002 teveel betaalde UKR-uitkering ten bedrage van € 66.233,54 bij dat besluit van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 4 november 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant in zoverre gegrond verklaard, dat de terugvordering is beperkt tot de teveel betaalde UKR-uitkering over de periode van 30 november 1999 tot en met mei 2001 en heeft de minister het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 44.587,44. De minister heeft de periode waarover de uitkering is teruggevorderd beperkt, omdat niet binnen zes maanden was gereageerd op een door het uitvoeringsorgaan ontvangen signaal dat betrokkene een WAO-uitkering ontving. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5. Nadien heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), rechtsopvolger van het Lisv, het dagloon van de WAO-uitkering verhoogd als gevolg waarvan die uitkering over de periode van 30 november 1999 tot 1 augustus 2004 is verhoogd. De nabetaling van WAO-uitkering waar appellant vervolgens recht op had, is door het Uwv gedeeltelijk verrekend met de vordering van de minister op grond van het bestreden besluit. De nog resterende nabetaling van WAO-uitkering ten bedrage van € 21.506,38 heeft het Uwv aan appellant betaald.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over de periode van 30 november 1999 tot en met mei 2001 een bedrag van € 44.587,44 teveel aan uitkering op grond van de UKR van de minister heeft ontvangen.

3.2. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de door de rechtbank genoemde uitspraak CRvB 12 april 2001, LJN AD 3346TAR 2001, 91) kan een bestuursorgaan hetgeen aan een ambtenaar onverschuldigd is betaald in beginsel gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen indien de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de ambtenaar van de gemaakte fout niet alleen kennis droeg of had kunnen dragen, maar de gemaakte fout bovendien door zijn toedoen is ontstaan. Daarvoor is niet vereist dat er sprake is van opzet of kwade trouw, doch voldoende dat er onjuiste inlichtingen zijn verstrekt of dat de fout hem anderszins kan worden toegerekend.

3.3. De Raad is van oordeel dat appellant vanaf november 1999 op de maandelijkse informatieformulieren de voorgedrukte vermelding dat hij in de betrokken maand uit hoofde van zijn aanstelling bij SNR een ZW-uitkering ontving had moeten wijzigen in een vermelding van zijn, aanvankelijk te verwachten, later toegekende, WAO-uitkering. Op de informatieformulieren staat immers uitdrukkelijk vermeld dat als de daarop vermelde gegevens niet correct zijn of als wijzigingen worden verwacht, de juiste gegevens op het formulier moeten worden ingevuld. Door het ontbreken van de informatie dat appellant naar verwachting vanaf 30 november 1999 een WAO-uitkering zou ontvangen, welke hem bij besluit van 9 december 1999 door het Lisv is toegekend, heeft de minister het recht op uitkering op grond van de UKR niet tijdig beëindigd en is de betaling van die uitkering vanaf 30 november 1999 ten onrechte voortgezet.

3.4. Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat het handelen van appellant is aan te merken als toedoen zoals hiervoor bedoeld. De omstandigheid dat bij het uitvoeringsorgaan van de minister een rood lampje had kunnen gaan branden omdat uit de informatieformulieren kon worden opgemaakt dat appellant na 52 weken nog steeds een uitkering op grond van de ZW ontving, hetgeen op grond van de ZW niet mogelijk was, ontslaat appellant naar het oordeel van de Raad niet van zijn plicht om de op zich duidelijke vragen naar waarheid te beantwoorden. De minister is derhalve in beginsel bevoegd de onverschuldigd betaalde uitkering over een termijn van vijf jaar na de dag van uitbetaling terug te vorderen.

3.5. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of de minister rechtens van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft mogen maken.

3.6. Dienaangaande overweegt de Raad dat uit de voorhanden gegevens niet is gebleken dat de minister ten aanzien van de in geding zijnde terugvordering van onverschuldigd betaalde UKR-uitkering over de periode van 30 november 1999 tot en met mei 2001 onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de minister de terugvordering van de onverschuldigd betaalde UKR-uitkering over de periode van juni 2001 tot en met februari 2002 heeft laten vervallen omdat die uitkering betaalbaar is gesteld na de termijn van 6 maanden die redelijkerwijs voldoende wordt geacht om relevante uitkeringsgegevens gegevens op adequate wijze administratief te verwerken.

3.7. De omstandigheid dat appellant na een verblijf van 25 jaar in de tropen, waarvan de laatste twee en een half jaar in dienst van de Minister van Buitenlandse Zaken, naar Nederland was teruggekeerd en niet op de hoogte was van de diverse uitkeringsregelin-gen, kan niet leiden tot het oordeel dat de minister niet (onverkort) had mogen terug-vorderen. Voor zover de samenloop van de uitkeringen tot onduidelijkheid leidde, had appellant zich tot de minister kunnen wenden om zich te laten voorlichten.

3.8. Ook in hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot terugvordering van de over de in geding zijnde periode onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de UKR dan wel daarbij heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5.1. Appellant heeft verzocht om vergoeding van alle kosten van juridische bijstand die het gevolg zijn van het besluit van de minister van 13 maart 2002. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op vergoeding van kosten die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, overweegt de Raad dat op grond van artikel 8:75, in verbinding met artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vergoeding onder meer als vereiste geldt dat daartoe een verzoek wordt gedaan, voordat op het bezwaar is beslist. De Raad stelt vast dat appellant in bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten van juridische bijstand, zodat er geen grond is voor toewijzing van dit verzoek.

5.2. Ten aanzien van de proceskosten die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep acht de Raad, nu het bestreden besluit in rechte stand houdt, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

25.09