Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-2273 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van een weigering een besluit te nemen, waartegen betrokkene beroep kon instellen bij de rechtbank was geen sprake. De rechtbank heeft betrokkene terecht op die grond niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2273 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 maart 2005, 05/151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën, thans de Minister van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Van de zijde van appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niemand verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk ten name van de Staatssecretaris van Financiën is gevoerd, is in verband met de wijziging van taken, blijkende uit het besluit van 7 juli 2006 tot ontslag aan die staatssecretaris (Stcrt. 2006, 132), voortgezet ten name van de Minister van Financiën. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 2 juni 2004 heeft de minister de bezoldiging van appellant met terugwerkende kracht tot 21 april 2004 op grond van artikel 14 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement stopgezet en het reeds betaalde salaris vanaf 21 april 2004 teruggevorderd. Daarbij is appellant dringend verzocht zijn werk onmiddellijk te hervatten en is medegedeeld dat tegen hem een disciplinair traject zal worden gestart inzake onder meer zijn onwettige afwezigheid. Dit traject is aangehouden omdat werd verwacht dat partijen tot een oplossing zouden komen. In dit kader heeft er op 24 juni 2004 een gesprek plaatsgevonden tussen R., lid van het Managementteam, en appellant en zijn echtgenote.

2.2. In een brief van 29 juni 2004 heeft R. aangegeven dat een verzoek van appellant om met ingang van 1 augustus 2004 met FPU te mogen gaan zal worden ingewilligd, indien appellant vanaf 1 juni 2004 verlof opneemt tot aan de FPU-datum. Wanneer appellant daarmee instemt zal de stopzetting van het salaris ongedaan worden gemaakt en zal niet worden overgegaan tot het instellen van een disciplinair traject.

2.3. Bij brief van 4 juli 2004 heeft appellant, onder verwijzing naar het gesprek van

24 juni 2004, R. medegedeeld te opteren voor de mogelijkheid van FPU met ingang van

1 augustus 2004. Met betrekking tot het opnemen van verlofdagen maakte appellant enig voorbehoud, omdat daarover nog overleg gaande was tussen zijn gemachtigde en de Belastingdienst. Tevens heeft appellant aangegeven ervan uit te gaan dat de stopzetting van het salaris met ingang van 21 april 2004 per omgaande ongedaan zal worden gemaakt.

2.4. Nadat appellant op 21 juli 2004 een finaal voorstel is gedaan, heeft hij de minister op 30 juli 2004 bericht met dat voorstel niet akkoord te gaan. Volgens appellant dient zijn salaris ook na 21 april 2004 te worden doorbetaald, omdat hij toen arbeidsongeschikt was. Van onrechtmatige afwezigheid was derhalve geen sprake en evenmin was er grond voor het stopzetten van zijn salaris. Naar het oordeel van appellant dient zijn brief van 4 juli 2004 in alle redelijkheid te worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 2 juni 2004. Tevens vordert appellant achterstallig salaris vanaf 21 april 2004.

2.5. In een reactie daarop is appellant medegedeeld dat zijn zienswijze niet wordt gedeeld. Verdere briefwisseling heeft er niet toe geleid dat partijen nader tot elkaar zijn gekomen. Aan appellant is met ingang van 1 augustus 2004 eervol ontslag verleend in verband met gebruikmaking van de FPU-regeling.

3.1. Op 19 januari 2005 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de weigering van de minister te beslissen op zijn bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2004.

3.2. De rechtbank heeft dit beroep bij de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van 4 juli 2004 niet anders worden opgevat dan als een reactie op het onderhandelingsvoorstel van de minister en heeft appellant in die brief, of in enig ander stuk, niet uitdrukkelijk aangegeven dat hij tegen het besluit van 2 juni 2004 bezwaar heeft willen maken. Daarom moet worden aangenomen dat appellant geen bezwaarschrift heeft ingediend aldus de rechtbank.

4.1. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins reden gezien met betrekking tot de brief van 4 juli 2004 een ander standpunt in te nemen dan de minister en de rechtbank. In die brief, met als onderwerp het gesprek van 24 juni 2004, reageert appellant op het hem in de brief van 29 juni 2004 gedane voorstel. Appellant gaat daarbij in op alle onderdelen van dat voorstel, te weten het terzijde schuiven van het disciplinair traject, de mogelijkheid van FPU, het opnemen van verlofdagen alsmede het ongedaan maken van de salarisstopzetting.

4.2. Gelet op deze context en op de bewoordingen van de brief van 4 juli 2001, kan de Raad in die brief niet lezen, en behoefde ook de minister dat niet te doen, dat appellant daarmee (tevens) beoogde bezwaar - in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - te maken tegen het besluit van 2 juni 2004.

4.3. Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 juni 2004, was de minister niet gehouden een besluit op bezwaar te nemen. Van een weigering een besluit te nemen, waartegen appellant beroep kon instellen bij de rechtbank, was derhalve geen sprake. De rechtbank heeft appellant terecht op die grond niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

25.09