Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
05-1236 AW en 05-1762 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek van betrokkene om terug te komen van het ontslagbesluit berust op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1236 AW en 05/1762 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere (hierna: bestuurscommissie),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2005, 04/563 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de bestuurscommissie

Datum uitspraak: 28 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en de bestuurscommissie hebben beiden hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Betrokkene is verschenen en de bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij een in rechte onaantastbaar geworden besluit van 29 juni 1998 is aan betrokkene eervol ontslag verleend uit zijn functie van leraar op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Dit ontslag was gebaseerd op een veelheid van door de bestuurscommissie vastgestelde tekortkomingen in het functioneren van betrokkene in de periode van 1993 tot en met 1997.

1.2. De bestuurscommissie heeft een door haar vastgestelde beoordeling van het functioneren van betrokkene in de periode van april 1997 tot en met augustus 1997 eerst, ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 13 februari 2003, 00/5962 AW, daarover, gewijzigd. Na vernietiging door de rechtbank van (ook) het gewijzigde beoordelings-besluit heeft de bestuurscommissie besloten de beoordeling te laten vervallen.

1.3. Betrokkene heeft aan de bestuurscommissie het verzoek gedaan om op grond van de gewijzigde situatie terug te komen van het ontslagbesluit. De bestuurscommissie heeft dat verzoek afgewezen, welke afwijzing is gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van

26 april 2004 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard; zij heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Zij heeft voorts de vergoeding gelast van het door betrokkene betaalde griffierecht.

2.1. De rechtbank heeft de vernietiging gebaseerd op de omstandigheid dat een deel van de motivering van het bestreden besluit - betreffende het ontbreken van een novum - niet juist is.

2.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde bestreden besluit, omdat de bestuurscommissie in haar overwegingen ook heeft betrokken dat de beoordeling slechts een klein onderdeel vormde van het complex van feiten en omstandigheden waarop het ontslagbesluit was gebaseerd.

3.1. De bestuurscommissie acht de vernietiging van het bestreden besluit onjuist. Haars inziens berust de weigering om terug te komen van het ontslagbesluit op goede gronden. Niet alleen is zij van opvatting dat een novum ontbreekt dat aanleiding zou behoren te zijn voor een heroverweging, ook heeft zij vanaf het begin overwogen dat, gezien de rol die de beoordeling heeft gespeeld in de besluitvorming, het vervallen van de beoordeling geen zodanige wijziging oplevert in het oorspronkelijke ontslagbesluit, dat enkel op basis daarvan geconcludeerd zou moeten worden dat de grondslag aan dat ontslagbesluit is komen te ontvallen.

3.2. Betrokkene acht het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit onjuist. Zijns inziens is er geen basis meer voor handhaving van het ontslag.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van de standpunten van partijen als volgt.

4.1. De door de rechtbank onjuist geachte motivering van de bestuurscommissie van haar weigering om terug te komen van het ontslagbesluit betreft het standpunt van de bestuurs-commissie dat, gelet op de jurisprudentie betreffende de toetsing van een weigering om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, hier niet gesproken kan worden van een novum, nu geen sprake is van een nieuw feit dat heeft plaatsgevonden voordat het desbetreffende besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB

4 december 2003, LJN AP3629 en TAR 2004, 85 en CRvB 14 april 2005, LJN AT4888 en AB 2005, 324) laatstgenoemde omstandigheid niet als voorwaarde wordt gesteld om te kunnen spreken van een novum, dat aanleiding moet geven tot een heroverweging.

4.2. De Raad volgt de rechtbank en de bestuurscommissie in hun opvatting dat de intrekking van de beoordeling niet een zodanige veranderde omstandigheid is - in de zin van de evenvermelde rechtspraak - dat enkel op basis daarvan geconcludeerd zou behoren te worden dat de grondslag aan het ontslagbesluit is komen te ontvallen. De bij de ingetrokken beoordeling vastgestelde feiten vormden slechts voor een klein deel de basis voor het ontslag en het vervallen van die beoordeling neemt niet weg de - ook door de Raad in zijn uitspraak van 13 februari 2003, onder 2.2.1. en 2.2.2. gedane - vaststelling van het tekortschieten door betrokkene in zijn functioneren als leraar.

5. Nu blijkens het onder 4.2. overwogene de (bij het bestreden besluit gehandhaafde) afwijzing van het verzoek van betrokkene om terug te komen van het ontslagbesluit op een deugdelijke motivering berust, kan de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep van betrokkene gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd, niet in stand blijven. Het beroep van betrokkene moet ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.

HD

01.09