Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
09-10-2006
Zaaknummer
04-6248 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Berekeningsmethodiek. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6248 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 oktober 2004, 03/5503

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 6 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Betrokkene is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene, geboren op 11 mei 1974, is als allrounder Productie Voorbereiding en Documentatie in juni 2000 uitgevallen wegens neurologische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar bij besluit van 3 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Nadat zij haar voormelde werkzaamheden als allrounder deels had hervat, is zij in januari 2001 weer (volledig) uitgevallen.

Op 8 januari 2003 heeft de verzekeringsarts W.A. van der Schoor betrokkene onderzocht waarna hij de functionele mogelijkheden van haar heeft vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens is de arbeidsdeskundige

F. van der Vlugt in zijn rapport van 16 april 2003 tot de conclusie gekomen dat betrokkene niet meer geschikt is voor haar eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft deze arbeidsdeskundige

4 weken na de datum van ziekmelding de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene berekend op 80-100%. Daarnaast heeft hij bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van een toekomstige datum moet worden vastgesteld op 55-65%. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 17 april 2003 betrokkene met ingang van 18 februari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80-100%. Deze uitkering is bij besluit van 22 april 2003 met ingang van 17 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

In bezwaar heeft betrokkene naar voren gebracht dat zij meer beperkingen heeft dan appellant heeft aangenomen, waarbij, ter ondersteuning van dit standpunt, nog enige medische informatie uit de behandelende sector is ingebracht. Nadat de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst op 19 oktober 2003 rapport had uitgebracht, heeft appellant bij besluit van 11 november 2003 het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

In beroep heeft betrokkene dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar.

De rechtbank heeft zich met de medische component van het bestreden besluit kunnen verenigen. Met de arbeidskundige component daarentegen niet. Ten aanzien van deze component heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij het berekenen van de resterende verdiencapaciteit is afgeweken van de volgorde van de hoogste loonwaarde van de geselecteerde functies en een dergelijke gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het bepaalde in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). De rechtbank heeft het beroep dan ook gegrond verklaard, het bestreden vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarnaast heeft de rechtbank beslist over proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de in RSV 2003/102 gepubliceerde uitspraak van de Raad van 25 februari 2003, naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijze waarop in het onderhavige geval de resterende verdiencapaciteit van betrokkene is berekend, in strijd is met het bepaalde in het Schattingbesluit. De berekening van de resterende verdiencapaciteit, zoals die is gehanteerd bij het bestreden besluit, is naar de mening van appellant juist geweest en dit betekent dat betrokkene terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65%.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het instellen van het hoger beroep heeft appellant bij het berekenen van de resterende verdiencapaciteit een bepaalde berekeningsmethodiek voorgestaan die naar de mening van appellant leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene van 55-65%. Gebleken is echter dat deze veronderstelling niet juist is. Ook de door appellant in hoger beroep voorgestane berekeningmethodiek leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene van 65-80%, hetgeen, daarmee van de zijde van de Raad geconfronteerd, ter zitting van de zijde van appellant niet is weersproken. Evenals de rechtbank komt de Raad dan ook tot de conclusie, zij het om een andere reden, dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd.

Het vorenstaande betekent dat de Raad niet meer toekomt aan een beoordeling van de door appellant in hoger beroep opgeworpen principiële kwestie en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, moet worden bevestigd.

Betrokkene heeft verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in die zin dat hem de wettelijke rente wordt vergoed. Dit verzoek dient volgens vaste jurisprudentie te worden ingewilligd. Voor wat betreft de wijze waarop deze wettelijke rente dient te worden berekend verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.P. Mulder.

BKH 130906