Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
04-3015 AW, 04-3084 AW en 04-4831 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op materiële schadevergoeding in verband met betrokkenheid bij gijzeling, waarna ziekteontslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 2006-10-05
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2006-10-05
Algemene wet bestuursrecht 6:24, geldigheid: 2006-10-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/193

Uitspraak

04/3015 AW, 04/3084 AW en 04/4831 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en

2. de Minister van Justitie (hierna: minister),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 april 2004, 03/394, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de minister

Datum uitspraak: 5 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Ieder van partijen heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en op 29 juli 2004 een nieuw besluit genomen.

Betrokkene heeft beroepsgronden ingebracht tegen het nieuwe besluit. De minister heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en door E.S. Schut, werkzaam bij Pals Groep Schadecalculatie. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Wagenaar, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en door R. Derks, werkzaam bij Loyalis.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam als penitentiair inrichtingswerker (piw'er) in de penitentiaire inrichting "De Grittenborgh" te Hoogeveen. Op 23 oktober 1992 is hij betrokken geraakt bij een gijzelingsactie van gedetineerden die de inrichting wilden ontvluchten. Hierbij heeft betrokkene onder meer klappen en schoppen tegen zijn hoofd gekregen. Hij is arbeidsongeschikt geworden en wegens die ongeschiktheid met ingang van 1 maart 1996 eervol ontslagen.

1.2. In 1995 heeft betrokkene de minister verzocht om vergoeding van de schade die hij als gevolg van het incident heeft geleden. Bij besluit van 26 januari 1996, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 augustus 1998, heeft de minister wegens ontkenning van de aansprakelijkheid schadevergoeding geweigerd. Bij uitspraak van 4 december 2001 heeft de rechtbank laatstgenoemd besluit vernietigd. Daartoe is - kort gezegd - overwogen dat de minister jegens betrokkene de zorgplicht als bedoeld in ’s Raads uitspraak van 22 juni 2000 (LJN AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000/232) heeft geschonden. Tegen de uitspraak van 4 december 2001 heeft de minister hoger beroep ingesteld, doch dit is door de Raad wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Bij besluit van 3 oktober 2002 heeft de minister opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij is alsnog aansprakelijkheid erkend en een onderzoek ter vaststelling van de schade in het vooruitzicht gesteld. Bij uitspraak van 25 februari 2003 is ook dit besluit door de rechtbank vernietigd. De rechtbank overwoog dat, nu de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding afhankelijk is gesteld van nader onderzoek, ten onrechte geen volledige heroverweging had plaatsgevonden. Tevens gaf de rechtbank in het belang van een spoedige besluitvorming enkele overwegingen ten overvloede. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.4. Bij het thans bestreden besluit van 29 april 2003 heeft de minister voor de derde maal op het bezwaar beslist. Daarbij is onder meer gesteld dat de primaire vraag blijft in hoeverre de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in causaal verband staat tot het incident van 23 oktober 1992, dat de medisch adviseur van de minister heeft aangegeven dat die vraag niet kan worden beantwoord bij gebreke van medische informatie (EHBO-rapport, huisartsinformatie en overige gegevens uit de behandelende sector) over de situatie direct na het incident en dat betrokkene desgevraagd heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het ter beschikking stellen van die gegevens. Voorts heeft de minister overwogen dat betrokkene - vooralsnog - niet wenst mee te werken aan een medisch en arbeidskundig onderzoek ter beantwoording van de vraag in hoeverre de (volledige) arbeidsongeschiktheid van betrokkene onomkeerbaar is. Niettemin heeft de minister besloten tot een vergoeding over te gaan, omdat reeds meer dan 10 jaren waren verstreken en niet te verwachten viel dat betrokkene zijn mening over het verlenen van medewerking aan verdere onderzoeken op korte termijn zou wijzigen. Op basis van een aantal aannamen is daartoe een inschatting gemaakt van het verlies aan arbeidsvermogen, dat inclusief fiscale schade en wettelijke rente is bepaald op € 81.934,-. Voorts is een vergoeding voor immateriële schade toegekend ad € 23.710,-. Vergoeding van de overige door betrokkene opgevoerde schadeposten is geweigerd.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover thans nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht.

1.6. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister het in rubriek I genoemde nieuwe besluit op bezwaar van 29 juli 2004 genomen. Daarbij is, onder voorbehoud van het hoger beroep, een bedrag van € 156.160,- plus wettelijke rente toegekend ter vergoeding van de materiële schade alsmede, zonder dit voorbehoud, een bedrag van € 25.000,- plus wettelijke rente ter vergoeding van de immateriële schade. Deze nieuwe beslissing op bezwaar wordt op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gedingen in hoger beroep betrokken.

2. Materiële schade

2.1. Op grond van de onder 1.2. vermelde feiten en omstandigheden staat vast dat de minister als werkgever van betrokkene zijn zorgplicht niet is nagekomen, als gevolg waarvan het gijzelingsincident heeft kunnen plaatsvinden waarbij aan betrokkene letsel is toegebracht.

2.2. Wat betreft aard en omvang van de sedertdien ondervonden beperkingen, laten de gedingstukken zien dat betrokkene in april 1995 is onderzocht door de neuropsycholoog Kraaijenbrink en de medisch psycholoog Lancée. Mede op basis van hun bevindingen heeft de neuroloog-psychiater Dijkstra in november 1995 geconcludeerd tot het bestaan van neurologische afwijkingen in de vorm van een licht neurologisch hemisyndroom, alsmede van psychiatrische afwijkingen zoals een verminderd cognitief functioneren, gestoorde regulatieve en integratieve functies en een duidelijk afgenomen introspectief en empathisch vermogen. Betrokkene ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, hetgeen ook na herbeoordeling - laatstelijk in december 2005 - niet is gewijzigd.

2.3. De minister heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat het causaal verband tussen het incident en de beperkingen van betrokkene niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, evenmin als de onomkeerbaarheid van die beperkingen in de toekomst, aangezien betrokkene weigert mee te werken aan het ter beschikking stellen van gegevens door de behandelende sector en aan het verrichten van aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek.

In dit verband heeft de minister erop gewezen dat uit een in augustus en september 1993 door PsychoTechniek Loopbaanadvies uitgevoerd onderzoek een veel minder ernstig beperkingenpatroon naar voren komt dan in 1995 door Dijkstra is beschreven. Bovendien heeft Dijkstra, uit wiens rapport niet valt af te leiden dat hij contact heeft opgenomen met de behandelende sector, zich geen oordeel kunnen vormen over de directe medische gevolgen van het gijzelingsincident. Zonder nadere gegevens daaromtrent is niet uit te sluiten dat gebeurtenissen van na het incident (mede) tot de beperkingen hebben geleid en kan ook geen inschatting worden gemaakt van de medische prognose en eventueel nog bestaande behandelmogelijkheden, aldus de minister.

2.4. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de minister betrokkene bij herhaling verzocht zijn medisch adviseurs te machtigen om bij de behandelende sector gegevens op te vragen die betrekking hebben op de medische situatie in de periode direct na het gijzelingsincident. Betrokkene heeft echter steeds geweigerd om de minister andere gegevens en bescheiden te (doen) verstrekken dan waarover deze reeds beschikt en zich op voorhand niet bereid verklaard om enig nader medisch of arbeidskundig onderzoek te ondergaan.

2.5. Voorzover betrokkene zich op het standpunt stelt dat die weigerachtige houding gerechtvaardigd wordt door hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar in rechte vaststaande uitspraak van 25 februari 2003 - hierboven onder 1.3. genoemd - kan de Raad hem niet volgen. Uit die uitspraak komt duidelijk naar voren dat de minister desgewenst nog nader onderzoek mocht verrichten en dat de rechtbank hem daarvoor enige tijd heeft willen gunnen. De door de rechtbank in haar overwegingen ten overvloede gegeven aanwijzingen zijn niet zodanig stellig geformuleerd dat daarmee ieder medisch (dossier)onderzoek naar de causaliteitsvraag of de toekomstverwachtingen bij voorbaat was uitgesloten.

2.6. Ook overigens is de Raad van oordeel dat het de minister met het oog op een zorgvuldige besluitvorming vrij stond om van betrokkene medewerking te verlangen aan het vergaren van schriftelijke gegevens over zijn medische situatie kort na het gijzelings-incident. Niet ten onrechte heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er tussen de onderzoeksresultaten uit 1993 en die uit 1995 een discrepantie lijkt te bestaan die nader onderzoek behoefde. Hieraan doet niet af dat de beperkingen van betrokkene, geheel op zichzelf beschouwd, wellicht goed kunnen worden verklaard door de bij de gijzeling ondervonden mishandelingen. De Raad beseft dat betrokkene met de gijzeling en de nasleep daarvan al heel wat narigheid heeft moeten doormaken en opzag tegen nog méér vragen en onderzoeken. Er werd echter vooralsnog niet méér van betrokkene verlangd dan dat hij de nodige machtigingen zou ondertekenen ten behoeve van de behandelende sector. Deze weinig belastende vorm van medewerking kan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet als onevenredig worden aangemerkt. Betrokkene heeft geen gegronde redenen aangevoerd om zijn herhaalde weigering niettemin te rechtvaardigen.

2.7. Onder deze omstandigheden was er voldoende grond voor het in het bestreden besluit neergelegde oordeel van de minister dat betrokkene in gebreke is gebleven om de vereiste medewerking te verlenen aan het onderzoek en dat er om die reden van moet worden uitgegaan dat de causale keten na het gijzelingsincident is verbroken.

2.8. Het hoger beroep van de minister slaagt derhalve.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat betrokkene rechtens geen aanspraak kon maken op vergoeding van de door hem gestelde schade. Zijn beroepsgronden hebben betrekking op de berekening van de vergoeding die de minister hem bij het bestreden besluit niettemin

- dus onverplicht - heeft toegekend en kunnen dan ook geen doel treffen.

3. Immateriële schade

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 25.000,- op haar plaats is. In dit onderdeel van de aangevallen uitspraak hebben beide partijen berust. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 29 juli 2004 heeft de minister alsnog het genoemde bedrag aan betrokkene toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. In zoverre bestaat derhalve tussen partijen geen geschil meer.

4. Artikel 6 EVRM

4.1. Betrokkene heeft met een beroep op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aangevoerd dat zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fasen van zijn zaak de redelijke termijn, bedoeld in dat artikellid, is overschreden.

4.2. Dit betoog van betrokkene faalt reeds omdat het hier gaat om een verzoek tot vergoeding van schade, geleden in de direkte uitoefening van zijn functie als piw’er, in welke hoedanigheid hij behoort tot de ambtenaren voor wie een beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet open staat. De Raad wijst daartoe op het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 8 december 1999 in de zaak Pellegrin/Frankrijk (LJN ZB8668, NJ 2001, 131 en AB 2000, 195). Naar het oordeel van de Raad zijn de taken van een piw’er - die duidelijk uitgaan boven het enkele verrichten van beveiligingswerkzaamheden - kenmerkend voor de specifieke werkzaamheden van de openbare dienst, in de zin van bedoeld arrest. In zoverre zijn zij op één lijn te stellen met de door het EHRM bij wijze van voorbeeld genoemde leden van de strijdkrachten en de politie.

5. Conclusie

5.1. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven voorzover deze is aangevochten, dat wil zeggen wat betreft de vergoeding van de materiële schade. In zoverre dient het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond te worden verklaard. Aan het nieuwe besluit op bezwaar van 29 juli 2004 ontvalt in zoverre de grondslag, zodat dit besluit wat betreft de vergoeding van de materiële schade voor vernietiging in aanmerking komt.

5.2. In hoger beroep bestaat voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit wat betreft de vergoeding van de materiële schade ongegrond;

Vernietigt het besluit van 29 juli 2004 wat betreft de vergoeding van de materiële schade.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

HD

25.09