Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
05-6107 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht bijzondere bijstand voor dieetkosten verlaagd? Allergologisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 335

Uitspraak

05/6107 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 september 2005, 05/112 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellante is in persoon verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Het College heeft appellante over de periode van 1 juli 1996 tot 1 maart 2003 periodiek bijzondere bijstand verleend in verband met de meerkosten van het door haar gevolgde dieet, voorgeschreven door de behandelend arts voor biologische natuurwijzen, H. de Jonge (hierna: De Jonge). Laatstelijk is in dit kader ten behoeve van appellante een bedrag van € 51,80 per maand verstrekt.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het College de aan appellante verleende bijzondere bijstand voor dieetkosten met ingang van 1 maart 2003 voortgezet tot een bedrag van € 16,04 per maand.

Bij besluit van 25 november 2004 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Blijkens het verhandelde ter zitting verschillen partijen thans nog slechts van mening over de vraag of het College op goede gronden de hoogte van de meerkosten van het door appellante te volgen dieet ingaande 1 maart 2003 heeft vastgesteld op € 16,04 per maand.

De rechtbank heeft ter zake het volgende overwogen:

“In het GGD-advies van 23 december 2003 is aangegeven dat specifiek allergologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit heeft plaatsgevonden door de huisarts op 9 februari 2004.

De uitslag hiervan is weergegeven in de brief van 19 februari 2004, waaruit blijkt dat eiseres allergisch is voor soja en pinda. Argonaut heeft op basis van deze uitslag, met behulp van een rekenprogramma van het Voedingscentrum, de meerkosten in verband met allergie voor soja-eiwit berekend; de allergie voor pinda’s gaat volgens het Voedingscentrum niet gepaard met meerkosten. De rechtbank is van oordeel dat Argonaut, mede op grond van voornoemde uitslagen, terecht tot zijn advies gekomen.

Uit de beschikbare gegevens van De Jonge blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze arts het dieetvoorschrift heeft opgesteld op grond van objectief medisch onderzoek, dat binnen de reguliere geneeskunde algemeen wordt geaccepteerd. Het staat dan ook niet vast dat de betreffende dieetkosten in het geval van eiseres ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten dat het onderzoek door Argonaut niet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen voldoet. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de adviezen zijn opgesteld door een arts, die zijn standpunt genoegzaam heeft gemotiveerd en daarbij de beschikking had over de relevante medische gegevens. Overigens wijst de rechtbank er op dat het de GGD is geweest die, op 23 december 2003, de aanzet heeft gegeven tot het nader allergologisch onderzoek om de noodzaak van de vergoeding van de dieetkosten vast te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve op juiste gronden het bedrag aan bijzondere bijstand voor dieetkosten, conform de adviezen van Argonaut, vastgesteld op € 16,04 per maand. Aan het feit dat eiseres lange tijd een hogere dieetkostenvergoeding heeft ontvangen, kan zij niet het recht ontlenen dat deze (ongewijzigd) wordt voortgezet. Dit geldt te meer nu, zo heeft Argonaut vastgesteld, voor de dieetsamenstelling zoals eiseres die gebruikt een medische inhoudelijke onderbouwing ontbreekt.”.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en kan zich geheel verenigen met de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid. Hieraan voegt de Raad nog toe op grond van deze overwegingen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat het College zijn besluitvorming niet kon en mocht baseren op de conclusies van de zich onder de gedingstukken bevindende medische adviezen van de arts van de Argonaut. Het gegeven dat appellante reeds sedert 1990 op advies van De Jonge een dieet volgt dat uitgaat van een grotere mate van voedselintolerantie dan waarvan bij deze medische adviezen is uitgegaan, maakt dit niet anders, nu hierbij niet is gebleken dat appellante naar objectief medische maatstaven was aangewezen op dit dieet.

Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Aangezien dit betekent dat het bestreden besluit van 25 november 2004 in rechte stand houdt bestaat er geen ruimte om het College met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van schade die appellante stelt te hebben geleden.

Door een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad, ten slotte, geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.