Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
05-5125 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is kennisgeving van zitting aan betrokkene gezonden? Geschaad in processuele belangen. Strijd met artikel 8:37 lid 1 Awb, voorschift van openbare orde. Vernietiging uitspraak. Terugverwijzing naar rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5125 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2005, 05/956 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 september 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 februari 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand.

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het College de aan appellante verleende bijstand per 1 juni 2004 ingetrokken.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 januari 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 januari 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij aanvullend beroepschrift van 2 november 2005 is namens appellante in hoger beroep onder meer het navolgende aangevoerd:

“Appellante stelt dat noch aan haar noch aan haar gemachtigde noch mondeling noch schriftelijk is medegedeeld door de rechtbank Rotterdam dat haar beroep zal worden behandeld op woensdag 15 juni 2005 om 13.30 uur.”.

Het vorenstaande is voor de Raad aanleiding geweest informatie in te winnen bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Rotterdam. Teneinde vast te stellen op welke wijze en op welk tijdstip de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank van

15 juni 2005 is verzonden, is daarbij verzocht om toezending van een afschrift van het aantekenboekje.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft een medewerkster van de griffie van de rechtbank Rotterdam de Raad bericht dat is gebleken dat aan de gemachtigde van appellante weliswaar een vooraankondiging, maar geen kennisgeving van de zitting van 15 juni 2006, is verzonden.

Nu is komen vast te staan dat de uitnodiging voor de zitting van 15 juni 2006 niet aan de gemachtigde van appellante is verzonden, is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 8:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is appellante niet in de gelegenheid geweest de haar bij wet toegekende rechten - in casu het bij de behandeling van de zaak ter zitting van de rechtbank desgewenst aanwezig zijn dan wel zich aldaar te laten vertegenwoordigen - uit te oefenen en daardoor in zoverre in haar processuele belangen geschaad.

Gegeven het feit dat het hier handelt om een voorschrift van openbare orde, is de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand gekomen en komt die uitspraak dientengevolge voor vernietiging in aanmerking. De Raad acht een (nadere) rechterlijke beoordeling van het besluit van 20 januari 2005 aangewezen en zal ter voorkoming van een verlies van een instantie de zaak ter verdere behandeling terugwijzen naar de rechtbank.

Nu de rechtbank zich nader omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding de door appellante in verband met de behandeling in hoger beroep gemaakte proceskosten vast te stellen op een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. In haar einduitspraak zal de rechtbank omtrent vergoeding van proceskosten in eerste aanleg een beslissing dienen te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.