Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
05-6370 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige hulp. Het plaatsen van een brug kan niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6370 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 september 2005, 05/191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kessel (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. J.H.M. Verstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.R. Schipperheijn, werkzaam bij de gemeente Kessel.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 17 mei 2004 heeft het College de aanvraag van appellant van 15 september 2003 om bijzondere bijstand voor de kosten van een tandheelkundige behandeling het plaatsen van een brug afgewezen.

Het tegen dit gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van het plaatsen van een brug bij appellant niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, omdat met een minder kostbare tandheelkundige behandeling had kunnen worden volstaan. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ter zake heeft overwogen geheel verenigen. De Raad tekent daarbij nog aan dat het ter zake door de GGD uitgebrachte advies berust op schriftelijke stukken waaronder een begroting van de behandelende tandarts, en een onderzoek van appellant en advies door tandarts de Boer. Hij ziet in de beschikbare gegevens geen grond om te oordelen dat het College niet op dit advies kon en mocht afgaan.

De rechtbank heeft eveneens op goede gronden geconcludeerd dat een beroep op het vertrouwenbeginsel niet kan slagen. Appellant kon en mocht er niet op vertrouwen dat in positieve zin op zijn aanvraag zou worden beslist toen besluitvorming omtrent zijn aanvraag naar aanleiding van het uitgebrachte GGD-advies uitbleef. Het had op zijn weg gelegen om hiernaar bij het College te informeren alvorens de behandeling door zijn tandarts te laten uitvoeren.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M. Pijper.