Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
04-4701 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Zijn medische beperkingen juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4701 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 juli 2004, 03/108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.M. Hoogbergen, advocaat te Gorssel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Namens appellante is mr. Hoogbergen verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. I. Smit.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 16 juli 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Daartoe is overwogen dat appellante met arbeid die zij met haar medische beperkingen en haar bekwaamheden nog kan verrichten meer dan 85% kan verdienen van hetgeen de aan haar gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen. Bij het bestreden besluit van 17 december 2002 heeft het Uwv die beslissing gehandhaafd.

De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante handhaaft in hoger beroep haar opvatting dat het Uwv haar medische beperkingen onjuist heeft ingeschat, waarbij er onvoldoende aandacht is besteed aan haar klachten.

De Raad overweegt het volgende.

Het Uwv heeft zijn standpunt omtrent de beperkingen van appellantes belastbaarheid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, gebaseerd op twee medische rapporten. Het eerste rapport bevat de resultaten van het door de primaire verzekeringsarts uitgevoerde onderzoek. Dat onderzoek heeft bestaan uit kennisneming van de voorhanden zijnde medische informatie (van de arts die appellante in het kader van de Ziektewet heeft onderzocht en van de behandelend Cesar-therapeute) en een eigen medisch onderzoek. Op basis daarvan zijn de door deze verzekeringsarts geconstateerde beperkingen van appellantes belastbaarheid vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst.

Het tweede rapport betreft het door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde onderzoek. Diens onderzoek heeft bestaan uit het bestuderen van het dossier en van de aanvullende informatie van de revalidatiearts (door wie appellante in augustus 2002 was onderzocht), het bijwonen van de hoorzitting naar aanleiding van haar bezwaarschrift en het ontvangen van appellante op zijn spreekuur. Zijn conclusie is dat de functionele mogelijkheden van appellante niet zijn overschat door de primaire verzekeringsarts.

De Raad neemt voorts in overweging dat appellante in beroep een verklaring van de psychiater H.H. Tamsma te Sneek (bij wie zij sinds november 2002 onder behandeling was) en een verklaring van de revalidatie-arts H. Laman te Sneek (door wie zij in november 2002 was onderzocht) heeft overgelegd, in welke verklaringen sprake is van een posttraumatische stress-stoornis. Verder neemt de Raad in overweging dat dit aanleiding is geweest voor de rechtbank om de psychiater

R. Graveland te Zwolle te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek naar appellantes belastbaarheid.

In zijn rapport van het op 30 oktober 2003 door hem uitgevoerde onderzoek is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellante niet zijn terug te voeren op als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in haar gezondheidstoestand op 16 juli 2002. Voorts is hij op basis van zijn onderzoek van mening dat appellante in staat moet worden geacht arbeid te verrichten zoals door de primaire verzekeringsarts is ingeschat.

Volgens zijn vaste rechtspraak volgt de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen. In hetgeen in beroep en hoger beroep van de zijde van appellante is aangevoerd ziet de Raad evenwel geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. Met name voegt het namens appellante in hoger beroep ingediende verslag van 12 april 2005 van de neuroloog prof. dr. B.G.M. van Engelen, verbonden aan het UMC St Radboud te Nijmegen, geen informatie toe die een dergelijke uitzondering zou kunnen rechtvaardigen. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat in dat verslag de bevindingen van beide verzekeringsartsen en de deskundige Graveland in feite zijn bevestigd door het stellen van een waarschijnlijkheidsdiagnose die inhoudt dat appellante lijdt aan een pijnsyndroom met betrekking tot het spierweefsel van nek en schouders, als gevolg waarvan zij last heeft van spierspanningshoofdpijn, en dat zij voor het overige geen neurologische afwijkingen heeft.

Gelet op het voorgaande heeft de Raad in de ter beschikking staande medische gegevens geen grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door de primaire verzekeringsarts bij appellante vastgestelde beperkingen van haar belastbaarheid, zoals deze naderhand zijn onderschreven door de bezwaarverzekeringsarts en de door de rechtbank benoemde deskundige.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.