Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
04-3981 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen op rechtens onaantastbaar besluit. Geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3981 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 juni 2004, 03/581 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 26 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Q.J. van Leeuwen, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 3 januari 2006 heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2006, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A. van der Lem, kantoorgenoot van mr. Van den Berg, voornoemd, en haar moeder [moeder]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 december 1998 heeft het Uwv geweigerd appellante ingaande 7 juli 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellante strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Bij besluit van 30 januari 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 22 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd terug te komen op zijn besluit van 18 december 1998.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van haar verzoek om terug te komen heeft appellante aangevoerd dat er inmiddels meer inzicht is gekomen in haar gezondheidssituatie en dit inzicht de klachten die appellante omstreeks juli 1998 ondervond in een ander daglicht plaatsen. Appellante heeft informatie overgelegd van psychiater R.M.F. Sorel, Spatie (centrum voor geestelijke gezondheid) en Adhesie GGZ Midden-Overijssel, waaruit blijkt dat de behandelende artsen hebben vastgesteld dat er bij haar sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, die gecompliceerd wordt door een eetstoornis. Voorts verwijst appellante naar een op 7 mei 2004 gedateerde brief van de huisarts P.C. Hoornstra, die appellante in zijn praktijk gekend heeft van 1996 tot en met 1998. In zijn brief vermeldt de arts dat appellante vanaf haar 13e jaar hinder ondervindt van de bij haar vastgestelde persoonlijkheidsstoornis, hetgeen zijns inziens onder meer blijkt uit het frequent schoolverzuim. Ook zenuwarts Van Zandvoort, die appellante op verzoek van het Uwv in 1998 onderzocht heeft, zou naar het oordeel van de huisarts reeds geconstateerd hebben dat appellante een persoonlijkheidsstoornis had. De zenuwarts zou de diagnose echter weer verworpen hebben om redenen die verband houden met de te volgen therapie. Appellante voert tot slot aan dat zij ook haar werkzaamheden in haar eigen bedrijf niet heeft kunnen volhouden.

Evenals het Uwv is de Raad van oordeel dat het op zichzelf gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Raad is echter van oordeel dat deze nieuwe medische feiten het Uwv geen aanleiding hadden behoren te geven om het oorspronkelijke besluit te herzien. Uit de medische stukken, met name de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van het Uwv van 18 december 1998, blijkt immers dat de medische situatie van appellante toentertijd minder ernstig was dan in latere periodes waarin onder meer sprake was van opnames en langdurige behandelingen. Met de kennis die thans bestaat van de ziekte bij appellante is achteraf haar toestand destijds beter te verklaren, maar dat betekent niet dat de beoordeling ten tijde in geding onjuist is geweest. Immers, blijkens het rapport van internist endocrinoloog Th. P. Links van 7 november 1998 ziet appellante er ten tijde van het onderzoek gezond uit, weegt zij 75 kilo en zijn er geen aanwijzingen voor endocriene pathologie. Wel wordt opgemerkt dat psychologische begeleiding aangeraden wordt. Ook zenuwarts Van Zandvoort constateerde bij appellante een aanpassingsstoornis met angst en afhankelijke trekken, waarbij de stressbestendigheid is afgenomen. De verzekeringsartsen hebben de informatie van de behandelende sector meegewogen in hun beoordeling en hebben psychische beperkingen in aanmerking aangenomen. Uit de stukken komt naar voren dat de persoonlijkheidstrekken die samenhangen met de borderline persoonlijkheidsstoornis in de jaren 1998 niet prominent aanwezig waren en er toen ook geen sprake was van een forse persoonlijkheidsproblematiek. Appellante is eerst in 2002 ernstig psychisch gedecompenseerd nadat de sociale problemen in de paar jaren daarvoor waren opgelopen.

De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.H. Broier.

CVG