Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
05-5743 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Als gevolg van het niet doorgeven van het juiste woon- of verblijfsadres kon het recht op bijstand van betrokkene niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 322

Uitspraak

05/5743 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 augustus 2005, 2004/2784 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant noch zijn gemachtigde zijn daar verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving sedert 16 maart 1998, met een onderbreking van de periode van 24 mei 1999 tot en met 1 september 1999 wegens detentie, een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2003 ingetrokken op de grond dat hij niet woonachtig was op het door hem opgegeven woonadres ([adres 1] te [woonplaats]), zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij dat besluit zijn tevens de over de periode van 1 november 2003 tot en met 31 januari 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.294,44 van hem teruggevorderd.

Voorts heeft het College bij besluit van 24 maart 2004 de bijstand van appellant met ingang van 16 maart 1998 ingetrokken op de grond dat hij niet op de door hem opgegeven woonadressen (achtereenvolgens bij zijn zus op [adres 3] en bij zijn broer op [adres 2] te [woonplaats]) woonde, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarbij zijn tevens de over de perioden van 16 maart 1998 tot en met

23 mei 1999 en van 2 september 1999 tot en met 31 oktober 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 56.539,08 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 21 september 2004 heeft het College de tegen de besluiten van 9 en

24 maart 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 21 september 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van

1 november 2003, dat besluit in zoverre vernietigd met in standlating van de rechtsgevolgen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

De Raad stelt voorop dat appellant blijkens de gedingstukken, naast de periode van 24 mei 1999 tot en met 1 september 1999, ook van 5 juni 2000 tot en met 1 oktober 2000 gedetineerd is geweest. Dit betekent dat hij gedurende (ook) dat laatstgenoemde tijdvak ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw geen recht had op bijstand. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 21 september 2004 vernietigen voor zover dit ziet op genoemde detentieperiode. De Raad ziet voorts aanleiding de rechtsgevolgen van het in zoverre te vernietigen besluit in stand te laten, nu weliswaar het recht over die periode wel is vast te stellen (namelijk geen recht omdat appellant rechtens zijn vrijheid was ontnomen), maar dit evenzeer tot de conclusie leidt dat hem per saldo over die periode geen bijstand toekwam.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellant voor het overige over het betreffende tijdvak onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent zijn feitelijke woonadres. De Raad volstaat in navolging van de rechtbank met verwijzing naar de verklaringen van zijn zus [zus] en zijn broer [broer] (dat hij ten tijde in geding niet bij hen heeft ingewoond) en appellants eigen verklaring (dat hij destijds een zwervend bestaan heeft geleid). Uit deze verklaringen komt genoegzaam naar voren dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk op de door hem bij het College opgegeven adressen woonde, terwijl voorts onduidelijk is gebleven waar hij dan wel feitelijk verblijf hield. Dit geldt evenzeer voor de periode vanaf 1 november 2003. De Raad verwijst hiervoor naar de door appellant zelf afgelegde verklaring. Voorts is appellant tot vijf maal toe niet op het nieuw opgegeven adres ([adres 1]) is aangetroffen en heeft hij desgevraagd geen huurcontract en evenmin bewijzen van huurbetaling overgelegd. Het College heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat - met uitzondering van de periode waarin appellant in detentie verbleef - als gevolg van het niet doorgeven van het juiste woon- of verblijfsadres het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.

In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand per 16 maart 1998 en per 1 november 2003. Daarmee is ook gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de in de periodes van 16 maart 1998 tot 24 mei 1999 en van 2 september 1999 tot 1 februari 2004 gemaakte kosten van bijstand. Naar het oordeel van de Raad heeft het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking en terugvordering.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in rechte niet onverkort stand kan houden.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2004 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 september 2004 in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 september 2004 voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard ten aanzien van de periode van 5 juni 2000 tot en met 1 oktober 2000;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Utrecht;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

GG180906