Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04-4301 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding bezwaartermijn. Heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene terecht ontvankelijk geacht? Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4301 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2004, 03/2987 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Van Wijngaarden (voornoemd). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het Uwv de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekende uitkering, welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief gedateerd 28 mei 2003 bezwaar gemaakt. Volgens het postscriptum is deze brief per fax en gewone post verzonden en persoonlijk afgeleverd bij het Uwv. Aangezien de laatste dag van de bezwaartermijn

27 mei 2003 was, heeft het Uwv gevraagd naar de redenen voor het te laat indienen van het bezwaarschrift.

Bij brief van 1 juli 2003 heeft appellant aangegeven dat de datering van zijn bezwaarschrift onjuist is, dat hij het bezwaarschrift persoonlijk op zaterdag 24 mei 2003 bij het Uwv heeft bezorgd en dit ook op 25 mei 2003 per fax heeft verzonden. Dat op het door hem overgelegde faxjournaal de datum 26 mei 2003 staat vermeldt komt volgens hem door de instelling van het door hem gebruikte faxapparaat. Ten slotte stelt appellant dat hij vanwege de verwerking van zijn moeders dood en de ceremoniën daaromheen op 29 mei 2003 niet bij machte was om zijn belangen zelfstandig uit te voeren.

Na onderzoek bij haar bedrijfsbureau is het Uwv tot de conclusie gekomen dat de datum bovenaan de fax (26 mei 2003) de datum van binnenkomst is. Een verklaring voor de datum onderaan de fax (28 mei 2003) had het bedrijfsbureau niet. Als mogelijke verklaring wordt gegeven dat het papier van het faxapparaat op was en de fax pas op 28 mei 2003 is uitgedraaid.

Het Uwv achtte geen termijnoverschrijding aanwezig en heeft bij bestreden besluit van 4 september 2003 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit heeft geleid tot de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 7 juli 2004 (03/2987), waarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard.

De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag of het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

4 september 2003 terecht ontvankelijk heeft geacht.

De Raad acht, anders dan het Uwv, niet aannemelijk dat het bezwaarschrift van appellant op 26 mei 2003, derhalve binnen de bezwaartermijn van zes weken, door het Uwv is ontvangen. Appellant heeft verklaard dat hij het bezwaarschrift van 28 mei 2003 op 25 mei 2003 per fax heeft verzonden. De Raad acht deze verklaring niet geloofwaardig met name gezien de discrepantie tussen de datering van het bezwaarschrift en de geclaimde verzenddatum. Daar komt bij dat het door appellant overgelegde faxjournaal de datum 26 mei 2003 vermeldt, hetgeen niet spoort met de datum 25 mei 2003 en dat het Uwv geen sluitend bewijs van ontvangst van een op 25 mei 2003 verzonden fax heeft kunnen produceren. Wel is aangetoond dat het bezwaarschrift van 28 mei 2003 op die datum zowel per fax als per post, ontvangstdatum 3 juni 2003, aan het Uwv is verzonden. De conclusie is dan ook dat appellant pas na afloop van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt.

Van de aanwezigheid van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de Raad niet gebleken. De ceremoniën voor appellants moeder, die reeds in november 2002 was overleden, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.

Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het besluit van 4 september 2003 gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2003 niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 september 2003;

Verklaart het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2003 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.