Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04-6773 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid medisch en arbeidskundig oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6773 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 november 2004, 03/737 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieter.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 22 november 1999 arbeidsongeschikt geworden als administratief medewerker wegens met name chronische vermoeidheid. Nadat de verzekeringsarts M. Oele op 20 september 2000 had geconcludeerd dat er voor appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid bestonden is aan hem ingaande 20 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Op 30 oktober 2001 en op 4 september 2002 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts L.R. Cornelius. Naar aanleiding van het laatstgenoemde onderzoek heeft deze arts geconcludeerd tot het bestaan van benutbare mogelijkheden tot arbeid, echter met een aantal beperkingen, met name op psychisch gebied, die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Met inachtneming daarvan heeft de arbeidsdeskundige C. Brouwer appellant geschikt geacht voor een aantal functies, leidend tot een zodanige verdiencapaciteit dat in vergelijking met het maatmaninkomen geen verlies optreedt. Dit heeft geleid tot het besluit van 7 maart 2003, waarin de WAO-uitkering ingaande 6 januari 2003 is ingetrokken wegens afname van de mate van arbeidsongeschiktheid tot beneden 15%. Na gemaakt bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen in een rapport van 9 mei 2003 de medische gegevens opnieuw bezien en geoordeeld dat er geen aanleiding is het oordeel over de benutbare mogelijkheden te herzien. Hij heeft daarbij onder meer opgemerkt dat voor de vermoeidheidsklachten geen somatische oorzaak is gevonden. Bij besluit van 25 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het bezwaar tegen het besluit van 9 januari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich daarbij zowel met de medische als met de arbeidskundige grondslag van het besluit kunnen verenigen.

In hoger beroep heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de zijns inziens bestaande discrepantie tussen de beoordeling door de verzekeringsarts Oele en de beoordeling door de verzekeringsarts Cornelius. Deze laatste verzekeringsarts heeft volgens appellant zijn ook vanuit de behandelende sector gesignaleerde vermoeidheidsklachten onvoldoende meegewogen, mede gelet op het feit dat binnen het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium ook aan klachten zonder duidelijke oorzaak betekenis moet worden toegekend. Verder is er volgens appellant ten onrechte aan voorbijgegaan dat er op grond van zijn vermoeidheidsklachten een indicatie voor een urenbeperking bestond. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat er ten onrechte is voorbijgegaan aan overschrijdingen van de vastgestelde belastbaarheid in een aantal functies.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad heeft in de voorhanden medische gegevens, waaronder een aantal overgelegde rapporten van behandelende artsen, geen reden gevonden om anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad stelt daarbij vast dat er bij appellant geen ziekten of gebreken zijn geconstateerd die de klachten in de mate als door hem aangegeven kunnen verklaren, terwijl er evenmin sprake is van medisch onderbouwde rapporten waaruit onmiskenbaar is af te leiden dat hij desondanks meer beperkingen heeft dan reeds in aanmerking zijn genomen.

Ten aanzien van het verschil in beoordeling tussen de verzekeringsartsen Oele en Cornelius merkt de Raad op dat deze beoordelingen qua tijdstip uit elkaar liggen en er in de rapporten van Cornelius aanwijzingen zijn voor een zekere opgetreden verbetering na het onderzoek van Oele, met name in de psychische toestand van appellant. Voorts is er geen aanknopingspunt in de wet voor het standpunt, dat een uitvoeringsorgaan in de loop van een uitkeringsgeval steeds volledig aan een eerder gegeven medische taxatie gebonden zou zijn. Nu in casu de medische beoordelingen door de verzekeringsarts Cornelius en de bezwaarverzekeringsarts Van Haeringen een toereikende basis voor het bestreden besluit bieden zal de Raad deze volgen. Hierin ligt besloten dat de Raad voor het aannemen van een urenbeperking onvoldoende grond aanwezig acht.

Wat de arbeidskundige component van de schatting betreft is gebleken van een aantal zogeheten niet-matchende items, die echter door het Uwv bevredigend zijn toegelicht, in die zin dat niet valt aan te nemen dat op deze punten de belastbaarheid wordt overschreden. Ook overigens heeft de Raad geen reden gevonden de arbeidskundige beoordeling voor onjuist te houden.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende :

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.