Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04-3879 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid bij schatting voorgehouden functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3879 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2004, 03/1665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.M. de Vries, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Namens appellante is haar opvolgend gemachtigde mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is arbeidsongeschikt geworden op 28 december 1998 wegens met name psychische klachten. Zij heeft ingaande 22 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 25 juli 2002, dat na bezwaar in stand is gelaten bij het besluit van 12 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de WAO-uitkering ingaande 1 september 2002 ingetrokken wegens daling van de arbeidsongeschiktheid tot beneden 15%. Aan dit besluit is voorafgegaan een medisch onderzoek, waarbij voor appellante op grond van de diagnoses “status na depressie” en “schouderpijn” beperkingen zijn vastgesteld, neergelegd in een FIS-formulier van 12 april 2002. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts, na kennisneming van een brief van de psycholoog R. van Tol van 14 mei 2002, deze beperkingen aangescherpt en neergelegd in een FIS-formulier van 22 januari 2003. Met inachtneming van dit laatste beperkingenpatroon heeft de bezwaararbeidsdeskundige uit de oorspronkelijk voorgehouden functies vier geschikte functies geselecteerd, met de fb-codes 8462, 6231, 8539 en 9019. De uitkomst van vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie hoogst verlonende functies met het inkomen van de maatvrouw was dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit bestond.

De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak met de medische grondslag van het bestreden besluit verenigd. Van de vier geselecteerde functies heeft de rechtbank de functie met de fb-code 8539 ongeschikt geacht, maar het beroep desondanks ongegrond verklaard, omdat de resterende drie functies de schatting konden dragen.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de medische beschouwing van de bezwaarverzekeringsarts en het ingevulde FIS-formulier. Verder heeft de gemachtigde de geschiktheid van de functies aangevochten en betoogd dat de beperkingen van appellante onvoldoende zijn onderzocht.

Nadien heeft het Uwv, op basis van arbeidskundige rapportage, de functie met de fb-code 8462 laten vallen omdat dit een functie met wisselende diensten zou zijn, doch ter zitting heeft het Uwv, met verwijzing naar op die functie betrekking hebbende stukken, aangevoerd dat dit op een vergissing berust en dat deze functie in gewone dagdienst voorkomt

De Raad oordeelt als volgt.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als door deze gebezigd acht de Raad wat de medische component van de schatting betreft het standpunt van het Uwv voldoende geadstrueerd. De stukken afkomstig van behandelend artsen die in hoger beroep zijn overgelegd werpen geen nieuw licht op de zaak.

Wat de namens appellante gestelde tegenstrijdigheid tussen de beschouwing van de bezwaarverzekeringsarts van

22 januari 2003 en het beperkingenpatroon van dezelfde datum betreft is namens het Uwv opgemerkt dat in dit geval het door de bezwaarverzekeringsarts handgeschreven belastbaarheidspatroon als leidend beschouwd mag worden, met name ook gezien de handgeschreven toelichtingen bij de diverse aspecten. De Raad kan zich hierin vinden en acht geen sprake van zodanige tegenstrijdigheden dat het belastbaarheidspatroon voor onjuist moet worden gehouden.

Wat de arbeidskundige component van de schatting betreft is de Raad er, lettend op de onderliggende stukken, voldoende van overtuigd geraakt dat de functie met fb-code 8462 in dagdienst voorkomt en derhalve niet voor de schatting behoeft af te vallen.

Wat de overige opgeworpen bezwaren tegen de functies met de fb-codes 8462, 6231 en 9019 betreft is de Raad op basis van het commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige P. Thoen en de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg van

5 februari 2005 van oordeel dat deze functies bruikbaar zijn. Dit geldt ook voor de overschrijding van het aspect “tillen” in de functie met de fb-code 6231. Binnen deze functie dient te worden getild 150 maal 5 kg per uur, terwijl appellante beperkt is tot 15 maal 10 kg per uur. De Raad acht op dit punt aannemelijk het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, waar deze zegt dat de belasting op tillen voornamelijk wordt bepaald door het gewicht en veel minder door de frequentie, waardoor de functie geschikt is.

Het vorenstaande betekent dat aan de schatting voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen ten grondslag liggen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende :

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

De uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.