Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04-6896 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geen ziekengeld toegekend omdat betrokkene niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6896 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 2 november 2004, 04/499 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.C.L.J. Verhoeven, advocaat te Schijndel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoeven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is van 1 april 1999 tot 21 februari 2002 als schoonmaakster voor

23 uur per week in dienst geweest van Aryt Food Nederland B.V. Op 18 februari 2002 is zij wegens rug- en gewrichtsklachten arbeidsongeschikt geworden. Op 18 november 2002 is zij gezien door een verzekeringsarts, die mede op grond van informatie van de huisarts vaststelde dat sprake was van gegeneraliseerde artrose. Bij onderzoek constateerde de verzekeringsarts lichte verschijnselen van artrose van de vingers van de rechterhand bij een normale beweeglijkheid en kracht hiervan. Verder was de linkerschouder licht beperkt evenals de nek. Gezien deze bevindingen werd appellante geschikt geacht voor fysiek lichte arbeid. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd, waarin appellante een zodanig inkomen kon verdienen, dat zij niet arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij besluit van 8 februari 2003 is dienovereenkomstig aan appellante met ingang van

16 februari 2003, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

.

Appellante heeft zich op 15 augustus 2003, vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Zij is naar aanleiding hiervan op 1 oktober 2003 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die na onderzoek vaststelde dat appellante niet meer beperkingen had dan ten tijde van de beoordeling in het kader van de WAO en haar per 13 oktober 2003 hersteld achtte voor de hiervoor bedoelde functies.

Bij besluit van 9 oktober 2003 is aan appellante meegedeeld dat aan haar met ingang van 13 oktober 2003 geen ziekengeld werd toegekend, omdat zij niet ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie heeft bij onderzoek van appellante geen wezenlijke verschillen vastgesteld met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts, maar alvorens nadere conclusies te trekken nog inlichtingen ingewonnen bij de behandelend sector. Naar blijkt uit een nader rapport van 30 december 2003 hebben de van de huisarts en de behandelend specialisten afkomstige gegevens de bezwaarverzekeringsarts niet geleid tot een ander inzicht. De bezwaarverzekeringsarts achtte de beperkingen, neergelegd in de FML van 18 november 2002, nog steeds adequaat. Hij achtte appellante tenminste geschikt voor één van de geselecteerde functies van de op 10 januari 2003 opgestelde arbeidsmogelijkhedenlijst.

Bij besluit van 14 januari 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij is in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de bevindingen van de behandelend sector in zijn oordeelsvorming heeft betrokken en dat appellante haar standpunt dat haar beperkingen ten tijde in geding waren toegenomen niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad heeft nog het volgende overwogen.

De van de zijde van appellante in hoger beroep aangevoerde gronden zien in hoofdzaak op het in het kader van de WAO genomen besluit, waarbij aan haar per 16 februari 2003 uitkering ingevolge deze wet is ontzegd. Dat besluit staat echter in rechte vast en mitsdien staat ook vast dat sprake was van voor appellante geschikte functies. Terzake van het onderhavige ziektegeval dient als maatstaf te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante destijds als geschikt werden aangemerkt, en wel elk van deze functies afzonderlijk.

De grief van appellante dat het primaire besluit op onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen ziet de Raad geen doel treffen. De grondslag voor het bestreden besluit is gelegen in de in de bezwaarfase uitgebrachte rapporten. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de rapportage van 12 november 2003 van voornoemde bezwaarverzekeringsarts blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek. De mede op grond van informatie van de behandelend sector getrokken conclusie, dat appellante op de datum in geding onverminderd geschikt moest worden geacht voor tenminste één van de hiervoor bedoelde functies acht de Raad verantwoord.

Naar aanleiding van het beroepschrift merkt de Raad verder nog op dat voornoemde bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 12 november 2003 heeft onderkend dat appellante een brace aan de linkeronderarm droeg. In de verzekeringsgeneeskundige rapportages en andere medische gegevens wordt geen melding gemaakt van een korset. Het staat dan ook niet vast dat appellante dat ten tijde in geding droeg. Van de zijde van appellante zijn verder geen gegevens ingebracht die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding.

De grief dat de in de arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde functies ten onrechte niet zijn geactualiseerd treft evenmin doel. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 2002/ 254.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

Gw