Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
04-4014 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4014 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2004, 03/2862 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.T.C. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het geschil tussen partijen spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was vastgesteld op

80 tot 100%, met ingang van 21 juli 2003 nader heeft berekend op 25 tot 35%.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 2 december 2003, waarbij het Uwv de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 21 juli 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% heeft gehandhaafd, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 21 juli 2003 vastgesteld op 25 tot 35 %, met beslissingen over proceskosten en griffierecht.

Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep tegen die uitspraak heeft aangevoerd overweegt de Raad dat hij in de door appellante overgelegde informatie van de behandelend psychiaters geen medische ondersteuning heeft aangetroffen voor haar stelling dat zij per 21 juli 2003 in beperktere mate belastbaar was dan het Uwv heeft aangenomen. De behandelend psychiater C. Tönissen laat zich in zijn verklaring van 16 april 2003 niet uit over de belastbaarheid van appellante. Anders dan appellante kan de Raad niet op grond van het enkele feit dat Tönissen uitgaat van een andere diagnose dan de door het Uwv geraadpleegde psychiater B. Oskam aannemen dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. De psychiater dr. A.T. Veeninga vermeldt in zijn brief van 5 februari 2004 dat appellante sinds kort de behandeling weer heeft opgevat en dat zij “op grond van haar huidige gedragsproblemen (...) op dit moment beslist niet reëel arbeidsgeschikt is”. Daarmee is echter geen uitspraak gedaan over haar toestand op de datum in geding 21 juli 2003. De verklaring van 21 februari 2003 van de woonbegeleidster M. Moors, waarop appellante zich beroept, geeft de Raad evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, nu het hierbij niet gaat om een verklaring van een medicus. De Raad ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten om een onafhankelijke deskundige te raadplegen.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante ziet de Raad geen aanleiding de arbeidskundige grondslag van de schatting, zoals nader toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

5 april 2004, voor onjuist te houden.

Er is dan ook geen grond om appellante per 21 juli 2003 niet in staat te achten de haar voorgehouden functies te verrichten. Gelet op de daarmee te realiseren verdiencapaciteit heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht de mate van haar arbeidsongeschiktheid nader berekend op 25 tot 35%. De rechtbank heeft dienovereenkomstig terecht de WAO-uitkering van appellante per 21 juli 2003 vastgesteld op 25 tot 35%.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.