Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
06-4626 AW-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voldoende grond aanwezig om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4626 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2006, 06/1486, 06/1488, 06/1077 en 06/1078 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Tevens heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2006. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam, en door R.A. Bedeke, lijnmanager bij het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (hierna: GVB). Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. M.S.J. Top, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is sedert 1 mei 2001 werkzaam bij het GVB, laatstelijk als trambestuurder. Op 15 maart 2005 heeft hij zijn mobiele privé telefoon beantwoord terwijl hij als bestuurder van een tram halteerde op het Leidseplein. Hiervoor heeft verzoeker hem bij besluit van 30 juni 2005 de disciplinaire straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar.

1.2. Op 2 augustus 2005 is bij een controle van het depot van betrokkene een tekort van € 389,41 geconstateerd. Om die reden heeft verzoeker bij besluit van 6 december 2005 primair het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd, subsidiair aan betrokkene strafontslag verleend en meer subsidiair aan betrokkene voorwaardelijk strafontslag verleend met een proeftijd van twee jaar.

1.3. Bij de bestreden besluiten van 9 februari 2006 heeft verzoeker de bezwaren van betrokkene tegen - voor zover hier van belang - de besluiten van 30 juni 2005 en 6 december 2005 ongegrond verklaard.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - kort samengevat en voorzover hier van belang- geoordeeld dat het aannemen van de mobiele telefoon plichtsverzuim oplevert, doch dat het daarvoor opgelegde (eerste) voorwaardelijke strafontslag daaraan niet evenredig is, zodat die straf en de tenuitvoerlegging daarvan niet in stand kunnen blijven. Het hebben van het depottekort is eveneens aangemerkt als plichtsverzuim, maar het daarvoor subsidiair opgelegde strafontslag is daaraan niet evenredig geacht en hield dus evenmin stand. Het meer subsidiair opgelegde (tweede) voorwaardelijke strafontslag is wel in rechte houdbaar geoordeeld. Tevens is de voorlopige voorziening getroffen dat verzoeker aan betrokkene voorschotten betaalt ter hoogte van het voor hem geldende maandsalaris.

2. Het thans aan de orde zijnde verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt opgeschort, in die zin, dat verzoeker geen nieuwe beslissing op bezwaar behoeft te nemen en het dienstverband niet feitelijk behoeft te herstellen totdat op het hoger beroep zal zijn beslist.

2.1. Tegen voortgezette betaling van voorschotten ter hoogte van het salaris heeft verzoeker geen bezwaar. Ter zitting is gebleken dat verzoeker ook open staat voor overleg met betrokkene over vervangende werkzaamheden in een niet-rijdende functie. Daarmee zou het risico van terugvordering, indien het hoger beroep slaagt, kunnen worden beperkt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen omtrent het verzoek hebben aangevoerd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Gezien de bezwaren van verzoeker tegen het opnieuw feitelijk tewerkstellen van betrokkene bij het rijdend personeel van het GVB, is er sprake van een spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak zoals verzocht.

3.3. Ter beoordeling staat vervolgens of sprake is van voldoende zwaarwegende redenen om zo'n voorlopige voorziening te rechtvaardigen. Voor zover daarbij de vraag in beeld komt of de aangevallen uitspraak in stand zal blijven, draagt het oordeel van de voorzieningenrechter hieromtrent een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.4. Vast staat dat betrokkene inbreuk heeft gemaakt op twee elementaire regels voor het rijdend personeel, te weten: (1) mobiele telefoons tijdens de dienstuitoefening uitgeschakeld houden en (2) steeds de volledige waarde van het depot bij zich hebben. Aan deze regels is door verzoeker ruime bekendheid gegeven. Wat betreft het depottekort geldt bovendien dat sprake is van recidive, nu ook in 2002 een tekort is geconstateerd, alsmede dat betrokkene handelde in de proeftijd van een - zij het nog niet in rechte onaantastbaar - voorwaardelijk strafontslag. Onder deze omstandigheden komt aan de bezwaren van verzoeker tegen hernieuwde tewerkstelling van betrokkene bij het rijdend personeel groot gewicht toe. De veiligheid en de betrouwbaarheid zijn in het geding, waarbij het gaat om een verantwoordelijke en betrekkelijk solitair uit te oefenen functie.

3.5. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat de Raad in de hoofdzaak - anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank - tot de conclusie zal komen dat het niet uitgeschakeld hebben van de mobiele telefoon plichtsverzuim oplevert waaraan de straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig is. Blijkens het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat in dat geval ook de tenuitvoerlegging van die straf, vanwege het depottekort, de evenredigheidstoetsing zal kunnen doorstaan.

3.6. De voorzieningenrechter acht dan ook, bij afweging van de betrokken belangen, voldoende grond aanwezig om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak, in die zin, dat verzoeker hangende het hoger beroep geen nieuwe beslissing op bezwaar behoeft te nemen en het dienstverband niet feitelijk behoeft te herstellen;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 422,- terugbetaalt aan de gemeente Amsterdam.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) R. Kooper

(get.) P.W.J. Hospel

FB/27/9