Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
06-4943 AW-VV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot treffen voorlopige voorziening. Redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4943 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

23 mei 2006, 06/3298 en 06/3856 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister)

Datum uitspraak: 27 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2006, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Voorbraak, juridisch adviseur te Delft. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Groot, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ter zitting is door verzoekster nog een, namens de minister aan haar gerichte, brief van 9 juni 2006 overgelegd.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende, hier van belang zijnde, feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster was vanaf 1 november 2003 werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) in de functie van senior jurist bij de sector Bezwaar en Beroep op de afdeling Bestuursrecht van de directie Juridische Zaken (hierna: dJZ). Op dit dienstverband is van toepassing het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (hierna: RDBZ).

1.2. In de loop van 2005 zijn problemen op het werk ontstaan als gevolg waarvan verzoekster zich meer malen heeft ziekgemeld. In een werkhervattingsadvies van zowel 10 november als 6 december 2005 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat verzoekster vanaf 21 november 2005 niet arbeidsongeschikt is door ziekte en/of gebrek, maar dat er sprake is van een arbeidsconflict dat niet thuishoort in de ziektewet. Haar advies was om met betrokkene de communicatie weer op te pakken en naar een oplossing te werken en de werkzaamheden te laten hervatten als er duidelijk zicht is voor beide partijen op een oplossingsrichting.

1.3. In een brief van 22 december 2005, waarin wordt gerefereerd aan een gesprek met verzoekster op 6 december 2005, heeft de minister (opnieuw) gewezen op de mogelijkheid van mediation teneinde de gerezen problemen tot een oplossing te brengen. Daarbij is verzoekster gemeld dat terugkeer naar haar eigen werk het uitgangspunt zal zijn, nu de betrokken dJZ functionarissen van oordeel zijn dat terugkeer zeer goed mogelijk is en er geen andere signalen zijn, bijvoorbeeld van de bedrijfsarts, die op een mogelijk falen van een dergelijke terugkeer zouden wijzen.

1.4. Als reactie hierop heeft de gemachtigde van verzoekster op 9 januari 2006 de minister onder meer medegedeeld dat terugkeer van verzoekster onmogelijk is gemaakt en dat mediation geen uitweg voor de ontstane impasse meer biedt. Verzocht wordt om stappen te ondernemen verzoekster over te plaatsen naar een passende functie elders op BZ.

1.5. In een brief van 3 februari 2006 is verzoekster opgeroepen een constructieve dialoog te starten, teneinde te komen tot een noodzakelijk herstel van de verhoudingen en is zij uitgenodigd voor een gesprek op 27 februari 2006 met de Directeur Juridische Zaken (DJZ). Kort voor het geplande tijdstip heeft verzoekster een faxbericht gezonden waarin onder meer wordt gesteld dat niet wordt ingegaan op de uitnodiging en dat zij schriftelijk wenst te communiceren. Op 28 februari 2006 heeft de minister verzoekster gesommeerd op 2 maart 2006 het werk te hervatten. Verzoekster is zonder bericht van verhindering niet verschenen, waarop de minister haar aanspraak op bezoldiging met onmiddellijke ingang op grond van artikel 31 RDBZ heeft stopgezet. Tevens is verzoekster opgedragen zich alsnog bij DJZ te melden op 9 maart 2006. Daarbij is opgemerkt dat wanneer verzoekster andermaal zonder opgave van een verschoonbare reden daaraan geen gevolg geeft, de minister haar opstelling aanmerkt als ernstig plichtsverzuim en de procedure leidend tot disciplinair ontslag in gang zal zetten. Verzoekster is wederom zonder bericht niet verschenen.

1.6. Bij brief van 13 maart 2006 heeft de minister verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt haar met ingang van 1 april 2006 op grond van de artikelen 86 en 87, eerste lid, aanhef en onder l, RDBZ de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Tevens is verzoekster medegedeeld dat haar toegangspas is geblokkeerd. Op 27 maart 2006 heeft verzoekster haar zienswijze tegen het voorgenomen ontslag gegeven. Bij besluit van 7 april 2006 is verzoekster met ingang van 10 april 2006 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

2.1. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de stopzetting, het blokkeren en het ontslag. Daarbij heeft verzoekster de minister, gelet op artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verzocht in te stemmen met het instellen van rechtstreeks beroep. Instemmend met dit verzoek heeft de minister bij brief van 13 april 2006 het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) met toepassing van artikel 8:86 van de Awb de ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de gevraagde voorziening afgewezen. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de beroepen van verzoekster ongegrond zijn verklaard.

2.3. Het verzoek strekt er (primair) toe dat de werking van de bestreden besluiten wordt geschorst. Verzoekster heeft aangevoerd daarbij een spoedeisend belang te hebben, aangezien zij in een ernstige financiële noodsituatie is geraakt, nu zij geen salaris meer ontvangt, noch een werkloosheidsuitkering of ziekengeld en er nog niet in is geslaagd een ander dienstverband te vinden.

2.4. Verzoekster is verder van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij vanaf 21 november 2005 weer volledig arbeidsongeschikt is, dat zij ondanks herhaalde oproepen niet is verschenen en zonder geldige reden weigert mee te werken aan werkhervatting. Van het opzettelijk nalaten de dienst te verrichten en het zich schuldig maken aan ernstig plichtsverzuim is volgens verzoekster geen sprake omdat zij ziek was.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.3. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter moet derhalve antwoord geven op de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

3.4. De door verzoekster in een uitgebreid hoger beroepschrift aangevoerde grieven tegen de aangevallen uitspraak vergen een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter ziet echter op voorhand in die grieven onvoldoende aanleiding om een redelijke mate van waarschijnlijkheid aanwezig te achten dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Daartoe is het volgende in acht genomen.

3.5. Het staat wel vast dat de verhoudingen tussen verzoekster en haar leidinggevende(n) sedert het opmaken van een beoordeling in februari 2005 verstoord zijn geraakt en dat hierin de reden van haar ziekmeldingen in 2005 was gelegen. De hersteldverklaring van 6 december 2005 bracht echter mee dat verzoekster niet meer arbeidsongeschikt werd geacht voor haar eigen werk. Dat verzoekster dit anders ziet kan daaraan niet afdoen, nu de herhaalde stelling dat de bedrijfsarts zich tegenover verzoekster anders heeft uitgelaten niet met enig bewijsstuk is onderbouwd. Weliswaar kan worden gezegd dat de eerste reactie van de minister op de hersteldverklaring per 21 november 2005, minst genomen, niet erg gelukkig was, maar daarvoor heeft de minister zijn excuses aangeboden en nadien is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op aanvaardbare wijze getracht tot een oplossing te komen. Dat die oplossing was gericht op werkhervatting van verzoekster in haar eigen functie kan de voorzieningenrechter niet onjuist achten, nu de minister hiertoe nog mogelijkheden zag en uit meergenoemd advies van de bedrijfsarts niet kan worden afgeleid dat verzoekster daartoe om medische redenen niet in staat werd geacht. Er was dus naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van redelijke opdrachten.

3.6. Van verzoekster mocht dan ook worden verlangd dat zij voldeed aan de opdracht om zich weer op het werk te melden en zich te verstaan met DJZ. De in het faxbericht van

27 februari 2006 gegeven redenen om niet te komen, acht de voorzieningenrechter evenmin als de minister verschoonbaar. Nadat verzoekster op 2 maart 2006 wederom, thans zonder bericht vooraf, niet was verschenen, is van de zijde van de minister telefonisch contact opgenomen met (de gemachtigde van) verzoekster. Uit hetgeen partijen over de inhoud van dit contact hebben verklaard kan in ieder geval worden afgeleid dat aan het niet verschijnen geen andere redenen ten grondslag lagen dan verwoord in het faxbericht van 27 februari 2006. Nu die redenen voor de minister niet aanvaardbaar waren mocht hij op dat moment concluderen dat verzoekster opzettelijk en zonder aanvaardbare reden niet op haar werk was verschenen.

3.7. Met betrekking tot de stelling van verzoekster dat zij niet in staat was te verschijnen omdat zij ziek was stelt de voorzieningenrechter vast dat deze stelling niet is onderbouwd met medische gegevens. Uit de door verzoekster in het kader van deze voorlopige voorziening overgelegde verklaring van de huisarts blijkt dit in elk geval niet. Dat verzoekster op 9 maart 2006 verhinderd was te komen omdat zij op die dag werd geopereerd wil de voorzieningenrechter wel aannemen, maar vast staat dat deze omstandigheid niet tijdig aan de minister is gemeld, zodat de minister ook niet in de gelegenheid was de gepande afspraak te verzetten naar een tijdstip waarop verzoekster van die operatie zou zijn hersteld. Verzoekster heeft deze operatie immers pas ter sprake gebracht in een brief van 14 maart 2006 aan de minister. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat verzoekster dit veel eerder (bijvoorbeeld in het telefoongesprek van 2 maart 2006) had dienen te melden. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster deze verhindering niet (opnieuw) naar voren heeft gebracht in de zienswijze naar aanleiding van het ontslagvoornemen.

4.1. De voorzieningenrechter onderschrijft gelet op het vorenstaande vooralsnog het oordeel van de rechtbank en gedaagde dat verzoekster opzettelijk heeft nagelaten haar werk te verrichten en ten onrechte geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht op haar werk te verschijnen, waardoor zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister kunnen besluiten tot het stopzetten van de bezoldiging en het opleggen van een disciplinaire straf. De straf van ontslag acht de voorzieningenrechter niet onevenredig, nu verzoekster meer dan eens expliciet was gewaarschuwd voor de gevolgen van haar handelwijze.

4.2. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het blokkeren van de toegangspas.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

(get.) K. Zeilemaker

(get.) E. Blijleven-de Vries

FB/27/9