Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-2401 AW + 05-5143 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is functiewaardering houdbaar? Verschil van mening over waardering op tweetal kenmerken. Normfunctie als vergelijkingsmateriaal?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2401 AW + 05/5143 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 maart 2005, 04/792 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 11 juli 2005 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend, waarbij tevens is gereageerd op deze nieuwe beslissing op bezwaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. Božilovic en M.C. van Workum, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas, werkzaam bij VBM/NOV.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is werkzaam als bedrijfsmaatschappelijk werker binnen regio [regio] van de Maatschappelijke Dienst Defensie. Bij besluit van 19 december 2003 is met toepassing van FUWADEF de waarderingsuitkomst van deze functie vastgesteld op hoofdgroep IV, niveaugroep b. Daarbij hoort indeling in salarisschaal 9. Bij besluit van 30 september 2004 is deze waardering na bezwaar gehandhaafd, onder overneming van het advies van de Commissie van advies bezwaren functiewaardering (hierna: CABF). Daarbij is overeenkomstig dit advies de puntenscore aangepast van 42 naar 44, maar dat heeft geen gevolgen voor het niveau en de salarisschaal.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat appellant door bij het bestreden besluit slechts te verwijzen naar het advies van de CABF, heeft nagelaten de niet functiewaarderings-technische bezwaren van betrokkene te heroverwegen, hetgeen strijd oplevert met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aan de gewaardeerde functie toegekende score van drie punten op de kenmerken 3. Effect van de werkzaamheden en 4. Aanpak van de werkzaamheden in negatieve zin afwijkt van de score van vier punten van de normfunctie. Het bestreden besluit is daarom volgens de rechtbank ook genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht als volgt.

3.1. In zijn bezwaarschrift heeft betrokkene een vergelijking gemaakt tussen de waardering van zijn functie enerzijds en die van de normfunctie bedrijfsmaatschappelijk werker zoals vastgelegd in FUWADEF anderzijds. Hij heeft er daarbij op gewezen dat de waardering van de functie van bedrijfsmaatschappelijk werker bij het ministerie van Financiën overeenkomt met die van de normfunctie (met als gevolg indeling in schaal 10) terwijl de in geding zijnde waardering daarvan in negatieve zin afwijkt. Betrokkene heeft appellant met klem verzocht aan dit aspect bij de heroverweging aandacht te besteden en zijdelings nog gewezen op het verschil in beloning met de militaire bedrijfsmaatschappelijk werker. Ter zitting heeft betrokkene verklaard dat hij met deze stelling niet heeft beoogd ten aanzien van de functie bij het ministerie van Financiën een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, hem is bekend dat appellant voor die functie niet het bevoegd gezag is.

3.2. Mede gelet op deze toelichting deelt de Raad niet het standpunt van de rechtbank dat appellant in verband met vorenstaande vergelijking in verzuim is geweest. Het bestreden besluit is genomen met overneming van het advies van de CABF. In dat advies is herhaaldelijk aangegeven dat de normfunctie bij de beoordeling zal worden betrokken. Ook is uitvoerig ingegaan op de verschillen tussen de functie van betrokkene en de normfunctie. Omtrent de vergelijking met andere functies heeft de CABF overwogen dat uitsluitend de normfunctie relevant is. Nu appellant in het bestreden besluit voorts heeft overwogen dat hem ook anderszins niet is gebleken dat sprake is van strijd met enige rechtsregel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur komt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen voortvloeiend uit artikel 7:11 van de Awb. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven.

3.3. De Raad constateert voorts dat appellant door de overname van het advies van de CABF voldoende heeft onderbouwd om welke reden, anders dan bij de normfunctie, aan de functie van betrokkene op de kenmerken 3. en 4. een score van drie punten is toegekend. Anders dan de rechtbank acht de Raad niet onbelangrijk dat betrokkene zijn functie niet uitoefent bij een centrale directie personeelszaken van een ministerie (de norm-functie), maar dat hij werkzaam is bij een regiokantoor, dat wordt ondersteund door een landelijke centrale staf, terwijl in de regio zelf een hoofd regio en één of twee coördina-toren boven betrokkene zijn geplaatst. Van de zijde van appellant is genoegzaam duidelijk gemaakt dat deze plaats in de organisatie gevolgen heeft voor de zwaarte van de functie die betrokkene uitoefent. Van strijd met het motiveringsbeginsel acht de Raad dan ook geen sprake.

4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad met betrekking tot de inhoud van de bestreden waardering het volgende.

4.1. Tussen partijen bestaat nog verschil van mening met betrekking tot de waardering op een tweetal kenmerken, genoemd onder 2. Bij kenmerk 3. Effect van de werkzaamheden gaat het erom of het effect van de werkzaamheden op korte termijn (een jaar) merkbaar is - hetgeen drie punten oplevert - of dat het effect tot op middellange termijn (langer dan een jaar) merkbaar is (vier punten). Blijkens de toelichting op het functiewaarderings-systeem gaat het bij een score van drie punten om werkzaamheden waarvan het effect binnen korte tijd waarneembaar is. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het effect van de taken van betrokkene, zoals hulpverlening, advisering en voorlichting in de regel reeds binnen een jaar merkbaar zal zijn en dat de inspanningen daar ook op zijn gericht. Dat het bereikte resultaat vaak blijvend is, is voor de toekenning van de score niet doorslaggevend. De Raad acht dat standpunt niet onhoudbaar.

Met betrekking tot de waardering van kenmerk 4. Aanpak van de werkzaamheden kan de Raad zich eveneens vinden in hetgeen appellant daarover heeft gesteld. Betrokkene kan in zijn functie terugvallen op protocollen, richtlijnen en handboeken, afkomstig van de centrale staf. Weliswaar zullen niet alle individuele gevallen daar onder vallen en kan betrokkene aan de centrale staf voorstellen doen voor een andere aanpak, maar daarmee stijgt de functie ook naar het oordeel van de Raad niet uit boven de omschrijving bij de score van drie punten. Ook daar is blijkens de toelichting sprake van niet eerder tegengekomen problemen waarbij bekende benaderingen kunnen worden toegepast, maar inventiviteit nodig is om tot een oplossing te komen.

4.2. De Raad onderschrijft overigens ook hetgeen appellant heeft opgemerkt met betrekking tot de rol van de normfunctie in het onderhavige waarderingssysteem. De normfunctie fungeert als vergelijkingsmateriaal ter ondersteuning of verificatie van het scoren op kenmerken en is niet meer dan een hulpmiddel.

4.3. De Raad acht gelet op het vorenstaande de in geding zijnde waardering niet onhoudbaar. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep wordt dus ongegrond verklaard.

5. Gelet op het vorenstaande is aan het nieuwe besluit op bezwaar, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Awb in dit geding betrekt, de grondslag komen te ontvallen. De Raad zal dat besluit daarom vernietigen.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 september 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 11 juli 2005.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.