Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-3663 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is functiewaardering in redelijkheid houdbaar? Terughoudende toetsing. Is zelfstandig karakter van de werkzaamheden aanleiding hogere indeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3663 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 april 2005, 03/1369 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën, thans de Minister van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Rijnten, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam bij de Belastingdienst in de functie van [naam functie 1] bij de Centrale Administratie (voorheen [functie 2]). Als uitkomst van een functiewaarderings-onderzoek is bij besluit van 23 juli 2002 de waardering van appellants functie met toepassing van de Functiekarakteristieken uit het Handboek Organisatie en Formatie/Normeringstelsel Belastingdienst/Functiekarateristieken van 1 mei 1998 vastgesteld op hoofdgroep IV, niveaugroep 10, leidend tot indeling in schaal 10 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA).

1.2. Bij besluit van 9 mei 2003 is deze waardering na bezwaar gehandhaafd, onder overneming van het advies van de Commissie van advies bezwaren functiewaardering (hierna: CABF).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant stelt in hoger beroep dat hij naast de werkzaamheden binnen het primaire taakveld belast is met een specifieke taakuitoefening, namelijk het invullen en uitvoeren van het zijn team overstijgende portefeuillehouderschap Personeel. Appellant is van mening dat die taakuitoefening, door het niveau van de werkzaamheden, het tijdsbeslag en het zelfstandige karakter ervan, van wezenlijke invloed is op het aspect zelfstandig-heid en door dit verzwarende aspect ingedeeld behoort te worden in niveaugroep IV/11 en de daarbij behorende salarisschaal 11 van het BBRA.

Voorts stelt appellant dat hij, nu hij dit punt in de hoorzitting expliciet aan de orde heeft gesteld en de CABF in haar overwegingen daaraan geen aandacht heeft besteed, zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de CABF die taakuitoefening in haar oordeelsvorming heeft betrokken.

3.2. De minister heeft verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat de rechterlijke toetsing in een geval als dit een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat pas tot vernietiging van de bestreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

4.2. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat in het onderhavige geding als uitgangspunt heeft te gelden de typering van appellants functie, die tussen partijen ook niet in geschil is.

4.3. De Raad volgt appellant niet in zijn grief dat de CABF de specifieke taakuitoefening niet in haar oordeelsvorming zou hebben betrokken. Zoals uit de functietypering blijkt maakt het portefeuilleschap Personeel onderdeel uit van de aan appellant opgedragen integrale managementtaken. De gedingstukken wijzen verder uit dat die werkzaamheden tijdens de hoorzitting ten overstaan van de CABF aan de orde zijn gesteld. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat er van kan worden uitgegaan dat de CABF die specifieke taakuitoefening in haar oordeelsvorming heeft betrokken, ook al zijn hieraan in het advies geen afzonderlijke overwegingen gewijd.

4.4. Ten aanzien van de inhoudelijke kant van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellant niet heeft bestreden dat de werkzaamheden in het primaire taakveld worden uitgevoerd op basis van algemeen geldende wettelijke en beleidskaders, waardoor het naar eigen inzicht bepalen enigszins beperkt is. Namens de minister is ter zitting naar het oordeel van de Raad genoegzaam gemotiveerd dat appellant bij de invulling van het portefeuilleschap Personeel, weliswaar in de uitvoering een zekere mate van vrijheid heeft, doch dat die vrijheid wordt begrensd door de door het CBM-management gestelde financiële- en beleidskaders. Appellant heeft met wat hij ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd niet aangetoond dat het niveau en het zelfstandige karakter van de werkzaamheden in die mate de aan indeling in niveaugroep IV/10 gestelde voorwaarden ontstijgen dat indeling in die niveaugroep niet gerechtvaardigd is. Evenals de rechtbank acht de Raad de omstandigheid, dat appellant binnen de gegeven kaders in bepaalde situaties mogelijk zelfstandiger opereert dan andere teamleiders bij de uitvoering van de aan hen toegedeelde portefeuilles, daarbij niet voldoende.

4.5. De omstandigheid dat appellant naar zijn zeggen, aan de invulling van het portefeuilleschap Personeel in de praktijk een aanzienlijk aantal uren besteedt, gemiddeld 14 tot 16 uur per werkweek, kan de Raad evenmin tot een andere conclusie leiden. Niet het tijdsbeslag is van belang, maar het niveau van de werkzaamheden.

4.6. De Raad komt dan ook niet tot de conclusie dat de onderhavige waardering van de functie van appellant op onvoldoende gronden berust.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.