Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-1428 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot ontheffing dienverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1428 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2005, 04/5526 en 05/496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 21 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.P. van Zandbergen, werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is met ingang van 18 juni 2001 voor de duur van vijf jaar aangesteld bij de Koninklijke Marechaussee in de rang van marechaussee der vierde klasse. Aan deze aanstelling is de verplichting verbonden om vanaf de datum van aanstelling voor de duur van vijf jaar onafgebroken deel uit te maken van het beroepspersoneel voor bepaalde tijd. Betrokkene heeft schriftelijk verklaard akkoord te gaan met die dienverplichting. Hij was werkzaam bij de afdeling Grensbewaking van het District Koninklijke Marechaussee Schiphol.

1.2. Op 30 oktober 2004 heeft betrokkene een verzoek ingediend om hem met ingang van 1 februari 2005 van de dienverplichting te ontheffen en hem eervol ontslag te verlenen in verband met de mogelijkheid voor hem om de functie van medewerker douane bij de Belastingdienst te gaan bekleden.

1.3. Appellant heeft hierop afwijzend beslist bij besluit van 29 november 2004, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 januari 2005.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank was van oordeel dat appellant een aantal feiten en omstandigheden niet of onvoldoende heeft betrokken bij de afweging die hij op grond van zijn beleid dient te maken tussen het defensiebelang bij het houden van betrokkene aan zijn dienverplichting en het persoonlijk belang van betrokkene bij het kunnen verlaten van de dienst. Hiertoe is overwogen dat de functie die betrokkene bij de Belastingdienst is aangeboden voor hem als een unieke kans is aan te merken, nu de Minister van Financiën eenmalig financiële middelen aan die dienst beschikbaar heeft gesteld ten behoeve van een grootschalige uitbreiding van het personeelsbestand op de luchthaven Schiphol, de functie in het verlengde ligt van zijn functie bij de afdeling Grensbewaking en een financiële verbetering betekent, betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat er niet of nauwelijks kans zal zijn dat hij bij afloop van zijn huidige aanstelling voor een aanstelling voor onbepaalde tijd in aanmerking zal kunnen komen en betrokkene gezien zijn vooropleiding, leeftijd en de situatie op de arbeidsmarkt bij het verlaten van de dienst weinig uitzicht heeft op het verwerven van een baan.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. De afwijzing van betrokkenes verzoek is gebaseerd op artikel 42, eerste lid, aanhef en onder d, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en het op grond daarvan vastgestelde beleid, zoals gepubliceerd in MEDPERS/CZMNED 2.2.1 en 2.6.1. Volgens deze beleidsregels is het uitgangspunt dat militairen op wie nog een dienver-plichting rust te allen tijde aan deze dienverplichting zullen worden gehouden en dat slechts indien sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden ontheffing van de dienverplichting kan worden verleend. In bijzondere omstandigheden kan bekorting van de dienverplichting met drie maanden plaatsvinden en in zeer bijzondere omstandigheden met zes maanden. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 6 oktober 2005, LJN AU4282 en TAR 2006, 50) acht hij dit beleid van appellant aanvaardbaar. De vraag die in dit geding beantwoord moet worden is of gezegd moet worden dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan appellant het ontslagverzoek per 1 februari 2005 niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

3.2. In tegenstelling tot de voorzieningenrechter van de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Allereerst heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van de verzochte ontslagdatum, mede gezien de duur van de aanstelling, nog geen sprake was van de allerlaatste fase van de dienverplichting, nu hiervan op 1 februari 2005 nog meer dan 16 maanden resteerde. Zoals ook in de aangevallen uitspraak is vastgesteld, had de afdeling Grensbewaking ten tijde hier van belang te kampen met personeelstekorten, hetgeen nog in sterkere mate gold voor ervaren krachten als betrokkene. Dat sprake was van een dermate unieke kans voor betrokkene dat appellant niet in redelijkheid het houden van betrokkene aan zijn dienverplichting mocht laten prevaleren boven het persoonlijk belang van betrokkene is de Raad niet gebleken, nu er ook later mogelijkheden waren om de functie bij de Belastingdienst te gaan bekleden. Dat in de functie bij de Belastingdienst sprake zou zijn van enige verbetering in bezoldiging en betere vooruitzichten kan hieraan onvoldoende afdoen.

4. Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het hoger beroep van appellant treft dus doel en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.