Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-6275 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag uit functie aspirant agent. Onvoldoende vertrouwensbasis. Had functioneringstraject moeten worden ingezet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6275 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] , wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 september 2005, 04/1708 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Korpsbeheerder van de poltieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 21 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.P.H. Pronk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen, adviseur rechtspositie.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.

1.1. Appellante is met ingang van 15 april 2002 aangesteld in tijdelijke dienst voor de duur van de primaire opleiding medewerker basispolitiezorg. Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de korpsbeheerder appellante op grond van artikel 89, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 oktober 2004 eervol ontslag verleend uit haar functie van aspirant-agent op de grond dat appellante niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist.

1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van de korpsbeheerder van 2 november 2004, na aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Op grond van artikel 89, vierde lid, van het Barp kan aan de aspirant die gedurende de basisopleiding niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de dienst wordt vereist, eervol ontslag worden verleend. Het onderhavige ontslag steunt op het oordeel van de korpsbeheerder dat met betrekking tot de houding en het gedrag van appellante is gebleken dat appellante niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen van geschiktheid. Er is door de wijze van communiceren van appellante twijfel ontstaan over haar integriteit, zodat er onvoldoende vertrouwensbasis aanwezig werd geacht om de aanstelling voort te zetten.

3.2. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat de korpsbeheerder tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellante niet heeft beantwoord aan de eisen en verwachtingen die in redelijkheid aan haar mochten worden gesteld en neemt de gronden over waarop die rechter tot dat oordeel is gekomen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder tot deze conclusie kunnen komen op grond van de bevindingen bij het disciplinair onderzoek dat heeft plaatsgevonden nadat appellante in maart 2004 een examen had laten annuleren. Hierbij is van belang dat reeds bij de beoordeling over het derde korpskwartiel vanwege houdings- en gedragsaspecten was geadviseerd de opleiding te beƫindigen. Na een voornemen tot ontslag heeft de korpsbeheerder besloten appellante nog een kans te geven. Bij brief van 17 december 2003 heeft hij haar laten weten wat van haar werd verwacht en dat zij alsnog zou worden ontslagen als zou blijken dat haar houding en gedrag niet boven elke twijfel verheven zijn.

3.3. Voor het standpunt van appellante dat de korpsbeheerder ten aanzien van het examen-incident alleen voor appellante belastende verklaringen zou hebben meegewogen, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. De verklaringen die in het kader van het disciplinair onderzoek zijn afgelegd over dit incident zijn voor een belangrijk deel niet ontlastend voor appellante. Mede gelet op het verhandelde ter zitting staat naar het oordeel van de Raad voldoende vast dat appellante haar examen heeft laten annuleren op grond van ziekte van haar examen-partner, zonder dat zij gegronde redenen had om aan te nemen dat die partner ziek was en dit ook nog heeft volgehouden nadat zij wist dat geen sprake was van ziekte.

3.4. De Raad kan appellante hierbij niet volgen in haar grief dat de korpsbeheerder geen disciplinair onderzoek had mogen instellen, maar een functioneringstraject had moeten uitzetten. Weliswaar was een andere keuze mogelijk geweest, maar de Raad ziet hierin geen aanleiding om de resultaten van het ingestelde onderzoek buiten beschouwing te laten. Hierbij is van belang dat er al eerder twijfels bestonden over houding en gedrag van appellante en dat haar in dat kader de wacht was aangezegd, zoals onder 3.2. is vermeld.

3.5. Dat appellante ook positieve beoordelingen heeft gehad kan aan het voorgaande onvoldoende afdoen. De korpsbeheerder heeft in het kader van de opleiding tot politiefunctionaris van doorslaggevende betekenis mogen achten dat is gebleken dat appellante, gezien haar wijze van communiceren, een onvoldoende betrouwbare gesprekspartner is. Dat appellante bij haar opleiding geen eerlijke kans zou hebben gekregen acht de Raad ten slotte niet aannemelijk, gezien de evenwichtige oordelen omtrent haar wijze van functioneren. Juist de positieve aspecten hierin hebben in december 2003 geleid tot genoemde nieuwe kans.

4. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep van appellante geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.