Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY9003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-4007 WWB 05-4008 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4007 WWB, 05/4008 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te Terneuzen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 mei 2005, 04/625 en 04/626 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.R.E. Nobus, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 juli 2006, waar partijen - wat het College betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 10 november 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een aantal anonieme meldingen dat appellante op het adres van appellant woont, heeft de Sociale Recherche Zeeuwsch-Vlaanderen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer inlichtingen ingewonnen over het water- en energieverbruik van appellanten, zijn appellanten gehoord, heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden en zijn observaties verricht. Naar aanleiding van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2003, heeft het College bij besluit van

27 januari 2004 de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Wet werk en bijstand ( hierna: WWB) over de periode van 1 december 2002 tot en met 30 september 2003 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante gedurende die periode een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd. Voorts heeft het College in dit besluit de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 11.301,25 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 27 januari 2004 heeft het College het bedrag van € 11.301,25 met toepassing van artikel 59 van de WWB mede van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft het College de tegen de besluiten van 27 januari 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met een bepaling omtrent het griffierecht - het beroep van appellanten tegen het besluit van 16 juli 2004 gegrond verklaard, dit besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Uit hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) volgt dat het College vanaf 1 januari 2004 aan de

artikelen 54, 58 en 59 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Dit betekent dat de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw van toepassing is gebleven gedurende de periode waarop de intrekking ziet.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de gedingstukken onvoldoende gegevens bevatten om aan te nemen dat appellanten reeds vanaf 1 december 2002 gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellant hielden. Weliswaar zijn er twee getuigenverklaringen die het vermoeden rechtvaardigen dat appellante reeds vóór 1 december 2002 haar hoofdverblijf bij appellant had, doch objectieve gegevens die deze verklaringen onderbouwen ontbreken. Deze verklaringen kunnen derhalve ook niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat onmiddellijk aansluitend aan die datum (wel) sprake was van een gezamenlijke huishouding. De cijfers met betrekking tot het water- en energieverbruik van appellanten bieden hiertoe evenmin voldoende aanknopingspunten, nu uit deze cijfers niet blijkt van een omslagpunt in dit verbruik van appellanten.

Het rapport van 23 oktober 2003 biedt naar het oordeel van de Raad wel voldoende feitelijke grondslag voor de vaststelling dat appellanten over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 hun hoofdverblijf in de woning van appellant hadden. Hiertoe overweegt de Raad dat appellant op 21 oktober 2003 tegenover de Sociale Recherche onder meer heeft verklaard dat appellante vanaf begin 2003 haar hoofdverblijf bij hem heeft en dat sindsdien ook haar kinderen bij hem verblijven. Deze verklaring wordt ondersteund door twee getuigenverklaringen waarin is aangegeven dat vanaf de feestdagen van eind 2002 een man, een vrouw en drie kinderen op het adres van appellant wonen.

Uit de onderzoeksbevindingen blijkt voorts dat over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 sprake is geweest van wederzijdse zorg tussen appellanten. Zo heeft appellante de vrije beschikking over de auto van appellant, staat haar wasmachine in zijn woning en verzorgt appellante de was. Verder doen zij samen boodschappen en eten zij samen.

Het vorenstaande betekent dat, nu tussen appellanten over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw, appellante over deze periode niet als een zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd, zodat zij over die periode geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen melding van de gezamenlijke huishouding gemaakt.

In het voorgaande ligt besloten dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met

30 september 2003.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

In het voorgaande ligt verder besloten dat ten aanzien van appellant met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het College bevoegd is de over die periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.

De Raad zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en mede met het oog op de inzichtelijkheid van de door hem te geven beslissing, de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - vernietigen en te bepalen dat het College met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heet overwogen (volledig) opnieuw beslist op de bezwaren van appellanten.

De raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep, begroot op € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op de bezwaren van appellanten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Terneuzen;

Bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) T.G.M Simons.

(get.) S.W.H. Peeters.