Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
05-4037 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Boete of maatregel? Schending inlichtingenverplichting. Benadelingshandeling. Inkomsten uit criminele activiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 321

Uitspraak

05/4037 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 mei 2005, 04/1422 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich, laten vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan appellant is over de periode van 9 september 1996 tot 26 oktober 2001, de dag waarop hij in voorlopige hechtenis is genomen, bijstand toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar - onder anderen - appellant in verband met overtreding van de Opiumwet (handel in drugs) is vervolgens vanwege het College onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is gebruik gemaakt van door de politie opgemaakte processen-verbaal en van het jegens appellant gewezen strafrechtelijke vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2003. Bij dit vonnis is appellant veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet op tijdstippen in de periode van

1 januari 1999 tot en met 22 oktober 2001. Op basis van het resultaat van het in opdracht van het College verrichte onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 30 juni 2003, heeft het College geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 januari 1999 tot en met 25 oktober 2001 inkomsten heeft ontvangen uit criminele activiteiten, waarvan hij aan het College geen mededeling heeft gedaan.

Bij besluit van 28 juli 2003 heeft het College, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met 25 oktober 2001 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien (lees: ingetrokken). Tevens zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw tot een bedrag van € 26.223,28 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 18 augustus 2003 heeft het College aan appellant, onder verwijzing naar de artikelen 14a en 65 van de Abw en met toepassing van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, een boete opgelegd van € 2.266,--.

Bij besluit van 23 februari 2004 heeft het College de tegen de besluiten van 28 juli 2003 en 18 augustus 2003 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat als gevolg van schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 1999 tot en met

25 oktober 2001 niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 6 april 2005 heeft het College, onder verwijzing naar artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2004 (LJN AP6288), het besluit van 23 februari 2004 gewijzigd en het bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat aan appellant in plaats van de boete van € 2.226,-- een maatregel van 30% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand, zijnde € 192,68, wordt opgelegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat de rechtbank onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geacht heeft mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 april 2005, ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 6 april 2005 ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat het College bij de vaststelling van de hoogte van de boete is uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 26.223,28, welk bedrag is gebaseerd op het bedrag aan inkomsten dat appellant volgens het College in de periode van 1 januari 1999 tot en met 25 oktober 2001 uit de handel in drugs heeft genoten. Het College baseert zijn standpunt dat appellant die gehele periode in drugs heeft gehandeld op het vonnis van de rechtbank inhoudende dat appellant strafrechtelijk is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet op tijdstippen in de periode van 1 januari 1999 tot en met

25 oktober 2001.

De Raad is van oordeel dat het College zijn standpunt daarmee onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd, nu met de strafrechtelijke bewezenverklaring dat appellant op tijdstippen in die periode in drugs heeft gehandeld, niet is gegeven dat appellant dit gedurende die gehele periode heeft gedaan.

Het besluit van 6 april 2005 berust daarmee op een ondeugdelijke motivering. Dit betekent dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre - het beroep tegen het besluit van 6 april 2005 gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 april 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.W. H. Peeters.