Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
04-6231 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Met dezelfde klachten lange tijd gewerkt. Geen verslechtering. Huisartsenjournaal. Geen aanleiding deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6231 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2004, 03/2480 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. G.J.J.M. Pubben, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Namens appellant is verschenen mr. drs. Pubben. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was tot aan zijn ontslag op 5 september 2002 op basis van een jaarcontract werkzaam als schoonmaker voor

30 uur per week en ontving uit dien hoofde een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft appellant zich op 28 oktober 2002 ziek gemeld vanwege rugklachten, knieklachten, hoofdpijnklachten en spanningsklachten. Na verschillende spreekuurbezoeken aan de verzekeringsarts, waaronder het medische onderzoek op 14 mei 2003 door verzekeringsarts I.E. Vermeer, informatie van de huisarts en informatie van de werkgever is appellant hersteld verklaard per 15 mei 2003 voor zijn laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid als schoonmaker. Daarbij heeft Vermeer aangegeven dat de door appellant aangegeven klachten reeds langer bestaan en dat hij ondanks deze klachten een jaar heeft kunnen functioneren. Bij besluit van 15 mei 2003 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van die datum ziekengeld te verstrekken.

Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (appellant is daarbij aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):

“De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts I.E. Vermeer eiser heeft onderzocht en informatie heeft opgevraagd bij eisers huisarts V. Primec, hetgeen onder meer heeft geresulteerd in het overleggen van het huisartsenjournaal van 28 maart 2003. Voorts stelt de rechtbank vast dat bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen de zijdens eiser in bezwaar overgelegde gegevens alsmede de in beroep overgelegde informatie van de huisarts bij de beoordeling heeft betrokken. In dat verband overweegt de rechtbank dat anders dan eiser stelt de bezwaarverzekeringsarts blijkens de rapportage van

4 november 2003 wel degelijk de op 3 september 2003 gedateerde uitdraai van het medisch journaal bij de behandeling heeft betrokken, nog afgezien van het feit dat bij vergelijking van beide journaals en de ter zitting gegeven toelichting slecht van één extra consult voor 15 mei 2003 blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts consistent en voldoende in overeenstemming is met de medisch beschikbare informatie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het de specifieke deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts is om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen van een betrokkene tot het verrichten van arbeid vast te stellen.”

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de tijdens het beroep overgelegde brief van huisarts V. Primec d.d. 20 augustus 2003 en het huisartsenjournaal d.d. 3 september 2003. De huisarts is van mening dat appellant lijdt aan diverse aandoeningen waardoor hij ongeschikt is om als schoonmaker te kunnen werken.

Daarnaast stelt de gemachtigde van appellant zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de specifieke deskundigheid van de bezwaarverzekeringsarts is om op grond van de beschikbare medische gegevens, de beperkingen van betrokkene tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Deze specifieke deskundigheid behoort volgens de gemachtigde van appellant (mede) toe aan de arbeidsdeskundige. Ten onrechte heeft de rechtbank daarom volgens de gemachtigde van appellant afgezien van de benoeming van een medisch deskundige.

Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het bij uitstek het specialisme van een (bezwaar)verzekeringsarts is om de medische mogelijkheden en beperkingen ten aanzien van arbeid vast te stellen, dergelijke artsen hebben hiertoe een gerichte en gespecialiseerde opleiding gevolgd. Gelet hierop en mede gelet op de vastgestelde minimale objectiveerbare medische afwijkingen kan zij zich geheel vinden in de beslissing van de rechtbank om geen medisch deskundige te benoemen en nader onderzoek te doen. De medische feiten zijn volgens het Uwv voldoende consistent en duidelijk om conclusies op te kunnen baseren. Ten aanzien van de rol van de arbeidsdeskundige geeft het Uwv aan dat deze onderzoek heeft verricht naar de inhoud van de werkzaamheden van appellant. Mede op grond van deze gegevens dient een (bezwaar)verzekeringsarts te beoordelen of de vastgestelde medische mogelijkheden en beperkingen ertoe moeten leiden dat deze specifieke werkzaamheden al dan niet kunnen worden verricht.

De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich daarmee. In de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen van 1 september 2003 en 4 november 2003 is naar oordeel van de Raad op overtuigende wijze geconcludeerd dat aan de brief van de huisarts geen doorslaggevende betekenis kan toekomen wat betreft de vraag of appellant op 15 mei 2003 in staat was om zijn arbeid te verrichten. Uit geen van de medische gegevens komt naar voren dat de medische toestand van appellant per die datum was verslechterd ten opzichte van de periode dat hij werkzaam was als schoonmaker.

Daarnaast benadrukt de Raad, verwijzend naar de aangevallen uitspraak en hetgeen hierover door het Uwv in haar verweerschrift is opgemerkt, dat in tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde van appellant heeft aangegeven, het de taak is van de (bezwaar)verzekeringsarts in het kader van de ZW om te beoordelen of appellant geschikt is voor zijn arbeid.

Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.