Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
04-4330 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-situatie. Zijn arbeid is elk van de functies afzonderlijk, zoals geduid in de WAO-schatting. Medische beoordeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4330 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2004, 03/2834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als medewerker timmerfabriek en interieurbouw toen hij op 22 maart 2002 uitviel vanwege rugklachten. In het kader van het onderzoek bij het einde van de wachttijd heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht en beperkingen aangenomen op basis van een aspecifieke chronische rugpijn en die op 15 januari 2003 vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ondanks deze beperkingen is appellant na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor passende werkzaamheden. Hem is een uitkering ingevolge de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die per 23 maart 2003 werd berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Appellant, die nadien tevens in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), heeft zich vanuit die situatie op 5 mei 2003 ziek gemeld met toegenomen rugklachten en spanningsklachten.

Na onderzoek door een verzekeringsarts op 13 augustus 2003 heeft deze geoordeeld dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen ten opzichte van de FML van 15 januari 2003 en dat appellant in ieder geval geschikt is voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies meteropnemer en werkmeester sociale werkplaats.

Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft het Uwv appellant ingaande 13 augustus 2003 verdere uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) geweigerd.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts na dossierstudie op 20 november 2003 een rapport uitgebracht waarin hij aangeeft dat het door de primaire verzekeringsarts verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat niet is gebleken dat ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling sprake is van een toename van medisch objectiveerbare beperkingen.

Bij besluit van 25 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald dat, in geval de verzekerde in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is.

De Raad is van oordeel dat de beschikbare medische informatie geen aanleiding geeft om aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen.

De (bezwaar)verzekeringsartsen beschikten over voldoende medische informatie om hun standpunt op te kunnen baseren. Uit de onderzoeken van de (bezwaar)-verzekeringsartsen blijkt niet dat op de datum in geding 13 augustus 2003 de beperkingen ten opzichte van de WAO-beoordeling waren toegenomen. Daarbij merkt de Raad op dat de belastbaarheid voor arbeid in het kader van de ZW niet wordt bepaald door de diagnose, maar door de objectief medisch vastgestelde beperkingen die appellant als gevolg van zijn ziekte heeft. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van orthopeed P.W. Pavlov d.d. 4 juli 2006, wijst niet op toegenomen medisch objectiveerbare afwijkingen aan de rug van appellant. Voorts kan de Raad zich verenigen met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 maart 2005, waarin deze de passendheid van de geselecteerde functies nader heeft gemotiveerd.

De conclusie is dan ook dat het Uwv zich terecht op het standpunt stelt dat appellant op 13 augustus 2003 de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies kon vervullen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.