Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
04-2094 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Ingediend rapport brengt geen nieuw licht op de rechtmatigheid van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2094 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 maart 2004, reg.nr. 03/228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 22 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, werkzaam bij Rechtshulp Noord, Bureau Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 21 januari 2003, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de WAO-uitkering van appellante, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 6 mei 2002 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich evenals in beroep op het standpunt gesteld dat per

6 mei 2002 haar een WAO-uitkering dient te worden toegekend naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Ter staving van haar stelling heeft appellante gewezen op de door haar bij het Uwv en de rechtbank ingebrachte informatie van medische aard.

Voorts heeft appellante bij de Raad nog ingebracht een rapport van Psychologisch Adviesbureau Heller, opgesteld naar aanleiding van onderzoeken verricht op

18, 19 en 28 juni 2002 en een rapport van Psychologen Kollektief Groningen, gedateerd 28 juni 2006.

In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen, dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de door appellante in hoger beroep herhaalde grieven afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen.

Uit het rapport van Psychologisch Adviesbureau Heller, noch uit het rapport van Psychologen Kollektief Groningen kan de Raad opmaken dat het Uwv de per 6 mei 2002 bestaande gezondheidssituatie van appellante en haar mogelijkheden tot het verrichten van arbeid onjuist heeft vastgesteld. Uit het rapport van Psychologisch Adviesbureau Heller blijkt geenszins dat het Uwv de gezondheidssituatie van appellante heeft miskend. Uit dit rapport blijkt juist dat appellante werkzaamheden kan verrichten en dat de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek een positiever beeld geven over de mogelijkheden tot arbeidsinpassing dan appellante zelf heeft aangegeven.

Het rapport van het Psychologen Kollektief Groningen ziet op de gezondheidssituatie van appellant per 29 juni 2004. Uit dit rapport is niet op te maken dat de in dat rapport geschetste situatie zich reeds per 6 mei 2002 voordeed, zodat dit rapport reeds hierom geen nieuw licht op de rechtmatigheid van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 mei 2002 kan werpen.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

In de omstandigheid dat in het besluit van 21 januari 2003 onder het kopje ”Beslissing op bezwaar” een onjuiste datum is genoemd, welke datum door de rechtbank bij vergissing is overgenomen, ziet de Raad, anders dan appellante wenst, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Uit de primaire beslissing van 12 maart 2002 en de eerste alinea van het besluit van

21 januari 2003 blijkt onmiskenbaar dat het Uwv het oog heeft gehad op 6 mei 2002. Het Uwv heeft dit ter zitting bevestigd en desgevraagd heeft ook appellante aangegeven steeds van de datum 6 mei 2002 te zijn uitgegaan.

Er is mitsdien sprake geweest van een kennelijke verschrijving die geenszins tot een ongewisse situatie of enig misverstand heeft geleid.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 2006.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.

MK