Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
03-6255 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit tot weigering ziekengeld. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/6255 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2003, 03/492 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. de Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de bedrijfsvereniging voor banken.

Bij besluit van 13 november 1995 heeft het Uwv geweigerd appellante op en na 1 december 1995 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Dit besluit is in rechte on-aantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellante van 5 december 2000 strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Bij besluit van 8 fe-bruari 2001 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 31 januari 2003 (hierna: het be-streden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 februari 2001 ongegrond verklaard.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eer-der ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terug-komen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Bij haar verzoek is namens appellante aangevoerd dat de bedrijfsarts A. van Seters van het toen-malige GAK in het kader van een procedure inzake een besluit ingevolge de Werkloosheidswet tijdens het onderzoek ter zitting van de rechtbank op 22 maart 1999 heeft verklaard dat appellante gezien haar klachten en de mislukte reïntegratie op

1 december 1995 niet in staat was haar arbeid als administratief medewerkster gedurende hele dagen te verrichten. Voorts is naar de mening van appellante de verzekeringsarts bij de medische beoorde-ling in 1995 van een onjuist beoordelingskader uitgegaan. Tenslotte heeft appellante tijdens de pro-cedure in eerste aanleg en in hoger beroep nog stukken overgelegd, waaronder een huisartsenjour-naal, waaruit zou blijken dat de medische situatie in 1995 onjuist is beoordeeld. Appellante is van oordeel dat vorenstaande feiten en omstandigheden dienen te worden aangemerkt als nieuw geble-ken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

De Raad kan appellante hierin niet volgen.

Nog afgezien van de omstandigheid dat bedrijfsarts Seters zijn uitspraak heeft gedaan in het kader van een andere procedure met eigen specifieke wetgeving en jurisprudentie, blijkt uit de geding-stukken dat Seters het Uwv reeds bij brief van 30 juni 1995 op de hoogte heeft gesteld van de klachten en het ziekteverloop van appellante. Voorts is

blijkens het rapport van de verzekeringsarts L.C. Braber van 31 oktober 1995 met Seters afgespro-ken dat hij appellante hersteld zou verklaren. Er moet dan ook vanuit worden

gegaan dat het Uwv toen het besluit van 12 november 1995 werd genomen bekend was met de vi-sie van Seters inzake de werkhervatting. Van een nieuw feit is derhalve geen sprake.

De omstandigheid dat thans de medische beoordeling van klachten als die van appellante op basis van een in regelgeving vastgelegd beoordelingskader plaatsvindt, is niet aan te merken als een ver-anderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Ten aanzien van de in eerste aanleg overgelegde medische stukken en het in hoger beroep overgelegde rapport van Instituut Psychosofia verwijst de Raad naar zijn uitspraak van

30 maart 2004, LJN: AO8674, waarin de Raad, onder meer, heeft overwogen dat “Uit de aard der zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken, die niet bij gedaagde bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit”. Ditzelfde geldt ten aanzien van in eerste aanleg overgelegde stukken.

Gelet op het vorenstaande heeft appellante geen feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 13 november 1995. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.

GdJ