Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AY8825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
04-2717 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WW-situatie. Ziekengeld geweigerd. Zijn arbeid is een van de in het kader van de WAO-schatting geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2717 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 4 mei 2004, 03/4846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 september 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. Öz, werkzaam bij Aldoss informatie en adviesbureau, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante werd per 12 augustus 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) geweigerd, omdat zij geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. Als gangbare arbeid zijn de functies van stikker, interieurverzorger en samensteller geselecteerd. Sedertdien ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft appellante zich op 4 november 2002 ziek gemeld vanwege psychische klachten.

Bij besluit van 15 januari 2003 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 4 november 2002 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2003 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de belastbaarheid door de verzekeringsarts onjuist is vastgesteld.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

Bij herhaling heeft de Raad vastgesteld dat onder arbeid in voormelde zin dient te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies waarvoor betrokkene in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht. In het onderhavige geval moet als “zijn arbeid” worden aangemerkt één van de functies die aan appellante zijn voorgehouden in het kader van de weigering van de WAO-uitkering per 12 augustus 2002.

Appellante is na haar ziekmelding per 4 november 2002 op 10 december 2002 op het spreekuur gezien door een verzekeringsarts, waarbij alleen een gesprek heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van appellant. De verzekeringsarts heeft de ziekmelding per 4 november 2002 niet geaccepteerd. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts

F.L. van Duijn informatie ingewonnen bij de behandelend huisarts F. Otaredian en psychiater J. Vink, verbonden aan het psycho-medisch centrum Parnassia. Otaredian heeft in haar brief van 2 september 2003 aangegeven dat bij appellante begin 2002 duidelijk sprake was van depressie met vitale kenmerken. Zij heeft haar verwezen naar Parnassia psycho-medisch centrum. Verder merkt Otaredian op dat appellante niet echt actief met de behandeling meewerkt. Vink heeft in zijn brief van 10 september 2003 aangegeven dat er bij appellante sprake is van een depressie eenmalig, matig ernstig en veel psychosociale problematiek. Appellante is doorverwezen naar de poli stemmingsstoornissen, maar is daar echter nooit in zorg gekomen. Daarna heeft er op 1 oktober 2003 nog nader telefonisch overleg plaatsgehad tussen bezwaarverzekeringsarts Van Duijn en psychiater Vink. Uit dit gesprek is de bezwaarverzekeringsarts gebleken dat appellante door de assistent van psychiater Vink is gezien in december 2002 en januari 2003 voor een tweetal intake gesprekken en dat Vink appellante zelf niet meer heeft onderzocht omdat appellante niet meer is verschenen. Uit het verslag van de intakegesprekken is de bezwaarverzekeringsarts voorts gebleken dat de geduide klachten niet als psychotisch worden gezien. Op basis van deze gegevens en het eigen onderzoek van 23 juli 2003 heeft Van Duijn geconcludeerd dat uit de heroverweging van de beschikbare medische gegevens niet geconcludeerd kan worden dat de belastbaarheid van appellante onjuist door de verzekeringsarts is ingeschat.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts is bevestigd door een voldoende zorgvuldig onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling informatie heeft betrokken van de huisarts van appellante en de (voorheen) behandelend psychiater. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante zelf onderzocht. Voorts neemt de Raad de niet coöperatieve houding tijdens de behandeling bij de huisarts en het psycho-medisch centrum Parnassia in aanmerking. Evenmin is van de zijde van appellante nadere medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen uitgevoerde medische beoordeling.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van der Wal.